Concepten van Hizb ut-Tahrir: Pagina 41 – 50
Concepts of Hizb ut-Tahrir: Page 41 – 50
Het bewijs (Daleel) kan een grondreden (Illah) voor de rechtsregel (Hukm) bevatten, of de grondreden (Illah) kan worden afgeleid uit één of meer andere bewijzen. Hoewel de rechtsregel (Hukm) wordt afgeleid uit het bewijs (Daleel), wordt de betekenis van de grondreden (Illah) daarin toch in acht genomen, zonder vast te houden aan de wijze die in de tekst wordt vermeld die op dat moment de kwestie behandelde. Een voorbeeld is de uitspraak van Allah (SWT),
The Daleel may include an ‘illah for the Hukm, or the ‘illah may be taken from one or more other evidences. Although the Hukm is derived from the daleel, nevertheless the sense of the ‘illah in it is observed, without adhering to the mode mentioned in the text that came to treat the problem at that time. An example is that the saying of Allah (swt),
“Bereid voor hen alles wat je kunt aan (gewapende) macht en aan paarden, opdat je daarmee angst zaait in het hart van de vijand van Allah en jullie vijand.” [TMQ Al-Anfal: 60]
“Prepare for them all you can of (armed) force and of horses tethered, that thereby you strike fear in the heart of the enemy of Allah and your enemy.” [TMQ Al-Anfal: 60]
De rechtsregel (Hukm) heeft betrekking op de voorbereiding van strijdkrachten. Het onderwerp dat destijds werd behandeld, is het voorbereiden van de strijdkrachten (via het vastbinden van paarden), en de betekenis van de grondreden (Illah) van deze rechtsregel (Hukm) is: het zaaien van angst bij de vijand. Daarom, wanneer wij vandaag de regel van de voorbereiding van strijdkrachten afleiden uit dit bewijs (Daleel), observeren wij ook de betekenis van de grondreden (Illah) van de rechtsregel (Hukm), en dienovereenkomstig bereiden wij alles voor wat nodig is om de vijand te doen schrikken; zonder onszelf te beperken tot de wijze die in de tekst wordt genoemd (d.w.z. het vastbinden van de paarden), bij het aanpakken van het probleem dat destijds aan de orde was.
The Hukm concerns the preparation of force. The issue addressed at the time is preparing the force (via the tethering of horses), and the meaning of the ‘illah from this Hukm is; to strike fear in the enemy. Therefore, when we derive today the rule of preparation of force from this daleel, we also observe the meaning of the ‘illah from the Hukm, and accordingly we prepare whatever is needed to alarm the enemy; without restricting ourselves to the mode mentioned in the text (i.e. tethering the horses), in treating the problem at hand at the time.
Daarom moet deze benadering worden gevolgd bij elk bewijs (Daleel) waaruit een rechtsregel (Hukm) wordt afgeleid, aangezien het doel is om de betekenis van de grondreden (Illah) te vervullen die bedoeld is met de rechtsregel (Hukm). Dienovereenkomstig vereist de islamitische sharia dat de regels met betrekking tot de maatschappelijke relaties (mu’amalat) gebaseerd zijn op hun grondreden (Illah) en dat wij bij het afleiden van de regels uit deze teksten het wetgevende aspect van de teksten in acht nemen en niet de vorm waarin zij zijn gekomen.
Therefore this approach should be followed in every daleel from which a Hukm is derived, since the purpose is to fulfil the meaning of ‘illah intended from the Hukm. Accordingly, the Islamic Sharee’ah requires that the rules related to the societal relations (mu’amalat) be based upon their ‘illah and that we observe the legislative aspect in the texts and not the form that they came in when deriving the rules from these texts.
Net zoals de tekst van de Qur’an en de Sunnah ﷺ een bewijs (Daleel) zijn voor de Hukm Shar’ai, worden ook de Ijma’ (consensus) van de Sahabah (metgezellen) en de Qiyas (analogie) beschouwd als een bewijs (Daleel) voor de Hukm Shar’ai. Dienovereenkomstig zijn de algemene bewijzen (adillah ijmaaliyyah) voor de shar’ai regels: de Qur’an, de Sunnah ﷺ, de Ijma’ van de Sahabah en Qiyas. Wat betreft de mening van een Sahabi met betrekking tot zaken van zijn Ijtihad (zelfstandige rechtsvinding), dit is geen bewijs (Daleel), omdat de Sahabi als elke Mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) is en vatbaar is voor fouten. Bovendien verschilden de Sahabah over sommige kwesties, waarbij zij verschillende meningen van elkaar hadden. Dus als de mening van de Sahabi als een bewijs (Daleel) zou worden genomen, dan zouden de bewijzen verschillend en tegenstrijdig zijn. Bijgevolg wordt de mening van de Sahabi niet beschouwd als een shar’ai bewijs (Daleel), maar het is toegestaan om deze te volgen zoals de andere erkende meningen en rechtsscholen (Madhhab). De regels waarover de Sahabah het eens waren, vormen geen Madhhab voor hen, maar zijn in plaats daarvan Ijma’ (consensus).
Just as the text of the Qur’an and Sunnah are an evidence for the Hukm Shar’ai, the Ijma’a (consensus) of the Sahabah (companions) and the Qiyas (analogical deduction) are also considered as an evidence for the Hukm Shar’ai. Accordingly, the general evidences (adillah ijmaaliyyah) for the shar’ai rules are; the Qur’an, the Sunnah, Ijma’a as- Sahaba and Qiyas. As for the opinion of a Sahabi related to matters of his Ijtihad, it is not a daleel, because the Sahabi is like any Mujtahid, and is subject to error. In addition, the Sahabah differed over some issues, holding differing opinions to one another. So if the opinion of the Sahabi was taken as a daleel, then the proofs would be different and contradictory. Consequently, the opinion of the Sahabi is not considered a shar’ai daleel, but rather it is allowed to be followed like the other acknowledged opinions and schools of thought (madhaahib). The rules that are agreed upon by the Sahabah are not a madhhab for them, but rather they are Ijma’a.
Wat betreft de Shar’a van de eerdere naties (Shar’a min qablina), deze wordt noch beschouwd als een Shar’a voor ons, noch wordt het beschouwd als een bron van wetgeving. Hoewel de islamitische geloofsleer (Aqeedah) ons voorschrijft om te geloven in alle profeten en boodschappers, en in de Boeken die aan hen werden geopenbaard. De betekenis van het geloof in hen is het geloof in hun profetenschap en hun boodschappen en in de Boeken die aan hen werden geopenbaard, en het betekent niet om hen te volgen. Na het profentschap van Muhammad ﷺ zijn alle volkeren bevolen hun religie (Deen) op te geven en de islam te aanvaarden, aangezien geen enkele religie (Deen) behalve de islam wordt geaccepteerd. Allah (SWT) zei,
As for the Shar’a of the earlier nations (Shar’a min qablina), it is neither considered a Shar’a for us, nor is it considered to be a source of legislation. Although the Islamic ‘aqeedah mandates for us to believe in all the prophets and messengers, and in the Books revealed to them. The meaning of the belief in them is belief in their prophethood and their messages and in the Books revealed to them, and does not mean to follow them. After the prophethood of Muhammad (saw) all peoples are ordered to give up their Deen and to embrace Islam, since no Deen other than Islam is accepted. Allah (swt) said,
“Ziet! De religie (Deen) bij Allah is Islam.” [TMQ Al-i-Imran:19]
“Lo! The Deen with Allah is Islam.” [TMQ Al-i-Imran:19]
Allah (SWT) zegt ook,
Allah (swt) also says,
“En wie een religie (Deen) zoekt buiten de Islam, die zal niet van hem worden aanvaard.” [TMQ Al-i- Imran:85]
“And whosoever seeks a Deen other than Islam it will not be accepted from him.” [TMQ Al-i- Imran:85]
Dit vers (Ayah) is expliciet (SareeH) in betekenis. Uit dit vers (Ayah) werd het volgende principe afgeleid,
This ayah is explicit (SareeH) in meaning. From this ayah the following principle was derived,
“De sharia van de mensen vóór ons is geen sharia voor ons.” Een ander bewijs voor dit principe is het feit dat de metgezellen (Sahabah) een consensus (Ijma’) hadden dat de sharia van Muhammad ﷺ alle voorgaande sharia (goddelijke wetten) opheft. Ook zegt Allah (SWT),
“Shar’a of the people before us is not a Shar’a for us.” Another evidence for this principle is the fact that the SaHaabah had a consensus (Ijmaa’) that the Shari’ah of Muhammad (saw) abrogates all the previous Shari’ah (divine laws). Also Allah (swt) says,
“En aan u hebben Wij het Boek met de waarheid geopenbaard, bevestigend wat aan het Boek voorafging en als controleur daarover.” [TMQ Al-Maida:48]
“And unto you have We revealed the Book with the truth, confirming whatever Book was before it and controlling over it.” [TMQ Al-Maida:48]
d.w.z. er controle en suprematie over te hebben. De suprematie van de Qur’an over de voorgaande Boeken betekent de abrogatie van de voorgaande Sharee’ahs, d.w.z. de Qur’an bevestigt en annuleert de voorgaande Sharee’ahs. Er is overgeleverd dat toen de Boodschapper ﷺ ‘Umar Ibn Al-Khattab een blad uit de Torah zag lezen, hij ﷺ boos werd en zei,
i.e. to have control and supremacy over it. The supremacy of the Qur’an over the previous Books means the abrogation of the previous Sharee’ahs i.e. the Qur’an confirms and abrogates the previous Sharee’ahs. It was narrated that when the Messenger (saw) saw ‘Umar Ibn Al-Khattab reading from a leaf of the Torah, he (saw) got angry and said,
“Heb ik het niet puur en schoon gebracht? En bij Allah, als mijn broer Musa nu aanwezig was geweest, zou hij geen andere keuze hebben gehad dan mij te volgen.”
“Didn’t I bring it pure and clean, and By Allah, had my brother Musa been present now he would have no choice but to follow me.”.
Veel van de rituelen van de hadj, zoals de Tawaf rond de Ka’abah, het aanraken en kussen van de zwarte steen en het rennen tussen Safa en Marwah, werden beoefend in de tijd van onwetendheid (Jahiliyyah). Wanneer wij deze echter als aanbidding (Ibadah) uitvoeren, doen we dit niet met het idee dat het rituelen zijn van een eerdere sharia. In plaats daarvan voeren we ze uit als onderdeel van de islamitische sharia, aangezien de islam deze bracht als nieuwe rechtsregels (Ahkam Sharai’ah), en niet als onderdeel van een eerdere sharia. Op dezelfde manier voeren wij absoluut niet uit wat eerdere religies voorschreven, noch houden wij ons daaraan; in plaats daarvan volgen wij enkel wat de islam ons heeft gebracht. De christenen en de joden worden aangesproken met de islamitische sharia en bevolen de hunne te verlaten, omdat de islam deze heeft ingetrokken. Als dit de verplichting is voor de volgelingen van de joodse sharia, zijnde de joden en de christenen, hoe kan een moslim er dan toe worden aangesproken om de vorige sharia's als zijn sharia te nemen? Met betrekking tot de uitspraak van Allah (SWT),
Many of the rituals of Hajj such as Tawaf around the Ka’abah, touching and kissing the black stone and running between Safa and Marwah were practised at the time of jahiliyyah. However when we perform them as ‘ibadat, we don’t practise them considering them as rituals of a previous Shari’ah. Rather we perform them as part of the Islamic Shari’ah, since Islam brought them as new AHkam Sharai’ah, and not as part of a previous Shari’ah. Similarly, we do not at all perform nor abide by what previous Deens prescribed, rather we only follow what Islam brought us. The Christians and the Jews are addressed with the Islamic Shari’ah and ordered to leave theirs, because Islam abrogated it. If this is the obligation on the followers of the Jewish Shari’ah and they are Jews and the Christians, then how can a Muslim be ordered to take the previous Sharee’ahs as his Sharee’ah? With regards to the saying of Allah (swt),
“Wij hebben aan u geopenbaard zoals Wij aan Noah hebben geopenbaard.” [TMQ An-Nisaa:163]
“We revealed to you as we revealed to Noah.” [TMQ An-Nisaa:163]
Wat hiermee wordt bedoeld, is dat Hij (SWT) aan Muhammad ﷺ openbaarde op dezelfde manier als Hij aan de andere profeten openbaarde. En,
What is meant by this is that He (swt) revealed to Muhammad (saw) the same way as He revealed to the other prophets. And,
“Hij heeft voor jullie die religie (Deen) bepaald die Hij aan Noah beval.” [Tmq Ash-Shura:13]
“He has ordained for you that Deen which He commanded unto Noah.” [Tmq Ash-Shura:13]
Dit betekent dat Hij de oorsprong van monotheïsme (Tawhid) heeft bepaald, die Hij voor Noach heeft bepaald. In het vers (Ayah),
This means that He ordained the origin of tawHeed, which He ordained for Noah. In the Ayah,
“Toen openbaarden Wij u om de religie (mellah) van Ibrahim te volgen.” [TMQ An-Nahl:123]
“Then we revealed to you to follow the faith (mellah) of Ibrahim.” [TMQ An-Nahl:123]
Dit betekent het volgen van de oorsprong van monotheïsme (Tawhid), omdat ‘mellah’ de oorsprong van monotheïsme (Tawhid) betekent. De begrijping van al deze verzen en dergelijke is dat de Boodschapper ﷺ geen vernieuwer is onder de boodschappers (van Allah), maar dat hij (als boodschapper) zoals hen is gestuurd en dat de oorsprong van monotheïsme (Tawhid) de religie (Deen) is die gemeenschappelijk is voor alle profeten en boodschappers. Elke boodschapper was gestuurd met een specifieke religie (Deen); Allah (SWT) zegt,
This means to follow the origin of tawHid, because ‘mellah’ means the origin of tawHeed. The understanding of all these verses and the like is that the Messenger (saw) is not an innovator among the messengers (of Allah), rather he was sent (as a messenger) like them and that the origin of tawHeed is the Deen common to all prophets and messengers. Every messenger had been sent with a specific Deen; Allah (swt) says,
“Voor ieder hebben Wij een sharia en een duidelijke weg bepaald.” [TMQ Al-Maidah:48]
“For each we have appointed a Sharee’ah and an open way.” [TMQ Al-Maidah:48]
Overeenkomstig is de Shar’a van eerdere naties noch een Shar’a voor ons, noch wordt het beschouwd als een van de wetgevende bronnen waaruit de regels worden afgeleid.
Accordingly the Shar’a of previous nations is neither a Shar’a for us and nor is it considered one of the legislative sources from which the rules are derived.
Het afleiden van ahkam wordt uitgevoerd door mujtahids (zelfstandig rechtsgeleerden), omdat het kennen van de Hukm (rechtsregel) van Allah over een specifiek onderwerp niet bereikt kan worden behalve door Ijtihad (zelfstandige rechtsvinding). Er moet Ijtihad zijn. De geleerden van usool hebben verklaard dat Ijtihad een fard kifayah (collectieve verplichting) is voor moslims en dat geen enkele generatie zonder een mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) mag zijn. Als alle moslims ermee instemmen om Ijtihad achterwege te laten, zouden zij zondig zijn; dit komt doordat de enige manier om de goddelijke regels te ontdekken via Ijtihad gaat. Als een generatie zonder een mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) zou zijn die in staat is om ahkam af te leiden, zou dit resulteren in het verlaten van de sharia en leiden tot het elimineren van de shar’ai regels, een zaak die uitdrukkelijk verboden is. Desalniettemin heeft Ijtihad voorwaarden die zijn uitgewerkt door de geleerden van usool. Het vereist brede kennis, een correct begrip van de teksten en een bevredigende kennis van de Arabische taalkunde, en het behoeft kennis van de shar’ai zaken en een begrip van hun bewijzen (adillah).
Deriving AHkam is performed by mujtahids, because knowing the Hukm of Allah on a specific issue cannot be reached except by Ijtihad. There must be Ijtihad. The scholars of usool have stated that Ijtihad is a fard kifayah (collective obligation) on Muslims and that no generation should be without a mujtahid. If all Muslims agree to leave Ijtihad they would be sinful, this is because the only way of finding out the divine rules is by Ijtihad. If any generation was without a mujtahid who is able to derive AHkam, this would result in the abandoning of Shari’ah and lead to the elimination of the shar’ai rules, a matter which is expressly forbidden. Nevertheless, Ijtihad has conditions which have been elaborated by the scholars of usool. It requires broad knowledge, a correct understanding of the texts and a satisfactory knowledge of Arabic linguistics and it needs knowledge of the Shar’ai matters and an understanding of their evidences (adillah).
Het extraheren van Ahkam zonder zorgvuldige studie en zonder zorgvuldige onderzoek wordt geen Istinbat (het afleiden van regels) genoemd. Evenzo is de loutere aanwezigheid van een voordeel in een bepaalde rechtsregel (Hukm), gevolgd door het verkeerd begrijpen en verkeerd interpreteren van de teksten om die regel af te leiden, geen zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad); het is eerder een belediging voor de religie (Deen) van Allah (SWT), en wie dat begaat verdient de straf van Allah (SWT).
Extracting AHkam without careful study and without careful examination is not called Istinbat (deriving rules). Likewise, the mere presence of a benefit in a certain Hukm followed by misconstruing the texts and misinterpreting them to derive that rule is not called Ijtihad, it is rather an insult to the Deen of Allah (swt), and whoever commits that deserves the punishment of Allah (swt).
Het is waar dat de deur van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) openstaat, maar het staat open voor de geleerden (Ulama) en niet voor de onwetende. Mujtahids zijn van drie types; mujtahid mutlaq en mujtahid madhhab, deze twee hebben specifieke vereisten. Wat betreft het derde type, dat is de mujtahid die zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) verricht op één kwestie (mujtahid masa’alah). Een dergelijke mujtahid moet in staat zijn de tekst te begrijpen en de kwestie te onderzoeken, het bewijs (Daleel) ervan en het bewijs (Daleel) van andere mujtahids met betrekking tot de kwestie. Dit type zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) is noodzakelijk voor elke moslim die de Ahkam van Allah moet kennen, aangezien de Shar’a oorspronkelijk heeft bepaald dat moslims zelf de rechtsregel (Hukm) uit het bewijs afleiden, oftewel om een mujtahid te zijn in de kwesties van de religie (Deen) die voor hen noodzakelijk zijn.
It is true that the door of Ijtihad is open but it is open for the scholars (ulema) not for the ignorant. mujtahids are of three types; mujtahid mutlaq and mujtahid madhab, these two have specific prerequisites. As for the third type it is the mujtahid who performs Ijtihad on one issue (mujtahid masa’alah). Such a mujtahid should be capable of understanding the text and to pursue the issue, its daleel and the daleel of other mujtahids concerning the issue. This type of Ijtihad is necessary for every Muslim who needs to know the AHkam of Allah, since Shar’a has originally ordained that Muslims derive by themselves the Hukm from the evidence, i.e. to be a mujtahid in the issues of the Deen necessary to them.
Echter, nadat de Madhhabs van de Mujtahids waren vastgelegd en de principes van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) en de Ahkam waren afgeleid, werd het concept van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) zwakker onder individuen en nam het aantal Mujtahids af. Navolging (Taqlid) werd wijdverbreid onder de moslims en zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) onder hen werd ongewoon, totdat het concept van navolging (Taqlid) zo dominant werd dat sommige mensen begonnen te pleiten voor het sluiten van de deur van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) en over navolging (Taqlid) spraken als een verplichting. Dienovereenkomstig werd de overweldigende meerderheid van de moslims, zo niet allen, muqallideen (volgelingen).
However, after recording the madhabs of the mujtahids and the principles of Ijtihad and the AHkam were derived, the notion of Ijtihad became weak amongst individuals and the number of mujtahids decreased. Taqleed became prevalent amongst the Muslims and Ijtihad amongst them became unusual until the concept of taqleed prevailed to such an extent that some people started to call for closing the door of Ijtihad and to speak of taqleed as obligatory. Accordingly the overwhelming majority of Muslims, if not all of them, became muqallideen (followers).
De muqallid is van twee soorten: muttabi’a (volger) en ‘aammi (leek). Het verschil tussen de muttabi’a en de ‘aammi is dat de muttabi’a de regel overneemt die is afgeleid door een mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) nadat zij ervan overtuigd zijn door het bewijs (Daleel) waarop de mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) vertrouwde, en zij volgen het niet tenzij zij zich bewust zijn van het bewijs (Daleel). De ‘aammi is degene die de mujtahid (zelfstandig rechtsgeleerde) volgt in de religieuze regel zonder naar het bewijs (Daleel) te zoeken. De muttabi’a heeft een hoger niveau dan de ‘aammi en de meeste eerdere generaties waren muttabi’a, omdat zij zeer toegewijd waren aan het leren van het bewijs (Daleel). Toen het tijdperk van verval aanbrak en het voor de mensen moeilijk werd om de mujtahids (zelfstandig rechtsgeleerden) te volgen, begonnen zij de geleerden en mujtahids (zelfstandig rechtsgeleerden) te volgen in de regels die hen betreffen zonder het bewijs (Daleel) te zoeken. Wat deze situatie aanmoedigde, was de stilte en instemming van de geleerden (Ulama) dat een persoon ‘ammi kon zijn, zelfs als hij een opgeleid persoon was. De geleerden (Ulama) zwegen hierover omdat navolging (Taqlid) is toegestaan, of de muqallid nu een muttabi’a of ‘ammi is. De moslim zou echter oorspronkelijk in staat moeten zijn om de ahkam (rechtsregels) uit het bewijs (Daleel) te nemen, hoewel zij imitatie mogen toepassen, waardoor zij muttabi’a mogen zijn, wat wil zeggen: zij kennen de regel en kennen het bewijs (Daleel) ervan en raken ervan overtuigd. Dit maakt de moslim gekwalificeerd voor zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad), zelfs in een enkelvoudig vraagstuk, een zaak die noodzakelijk is voor ons in onze huidige tijd. Het uitgeven van een fatwa wordt echter niet beschouwd als zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) in een kwestie, omdat het niet tot de categorie van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) behoort. Het is van het slechtste type geschriften in de islamitische jurisprudentie (Fiqh). Dit komt doordat na het tijdperk van de mujtahids (zelfstandig rechtsgeleerden), hun studenten en de studenten van hun studenten hen volgden, en deze zich richtten op het uitwerken van de meningen van de rechtsschool (Madhhab), het leggen van de fundamenten ervan en het consolideren van de meningen ervan. Dat tijdperk werd beschouwd als de gouden eeuw van de islamitische jurisprudentie (Fiqh), waarin de belangrijkste naslagwerken van de islamitische jurisprudentie (Fiqh) boeken in de verschillende rechtsscholen (Madhhabs) werden geschreven. Deze boeken worden beschouwd als de ruggengraat van de kwesties van de islamitische jurisprudentie (Fiqh). Dit tijdperk duurde voort tot de zevende eeuw n.Chr., waarna de achteruitgang van de islamitische jurisprudentie (Fiqh) volgde. In deze tijden begonnen commentaren en voetnoten, die het meeste gebrek aan originaliteit, Istinbat (afleiding van regels) en zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) vertoonden, zelfs bij slechts één enkel onderwerp. Daarna kwam een tijdperk waarin de achteruitgang dieper was, waarin de geleerden (Ulama) de weg volgden van het opsommen van de kwesties en de regels zonder te verwijzen naar hun verschillende aspecten en details. Zij noemden deze kwesties fatawa. Het is onjuist om deze fatawa als referentie in de islamitische jurisprudentie (Fiqh) te gebruiken en het is eveneens onjuist om ze als referentie voor de AHkam Sharee’ah te nemen, omdat zij de methode van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) bij het afleiden van de regels niet volgen.
Het is niet toegestaan om naslagwerken die zijn geschreven volgens de lijn van de codificatie van westerse wetboeken te raadplegen als een referentie voor sharia-regels. Dit komt doordat deze boeken een vorm van imitatie zijn van westerse wetten, en een dergelijke codificatie de islamitische jurisprudentie (Fiqh) vermindert en wordt gedomineerd door het overnemen van islamitische jurisprudentie-kwesties zonder enig bewijs (Daleel) of met een zwak bewijs (Daleel). Het wordt ook gedomineerd door het idee van aanpassing aan de tijd en verdraaide interpretaties om te voldoen aan het westerse standpunt bij het oplossen van problemen. Dit komt bovendien door het gebrek aan het wetgevende aspect en de afwezigheid van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) in deze boeken. Daarom zijn ze niet geschikt voor toepassing of als referentie. Hun bestaan was een ramp voor de islamitische jurisprudentie (Fiqh) en de wetgeving, omdat het een poging tot imitatie was die de perceptie van de mensen over de islamitische jurisprudentie (Fiqh) verzwakte. Dit ondanks de enorme hoeveelheid islamitische jurisprudentie (Fiqh) en het feit dat het de rijkste jurisprudentie van alle naties is. Deze islamitische jurisprudentie (Fiqh) is onmisbaar voor rechters en heersers, maar het codificeren ervan in een vorm die het canonieke format imiteert, heeft het verminderd en gedegradeerd, en heeft de rechters, wanneer zij zich beperkten tot de kennis van deze canons, onwetend gemaakt in de islamitische jurisprudentie (Fiqh). Daarnaast ontbreekt het deze boeken aan de juiste juridische formulering, omdat ze een verzameling zijn van jurisprudentieteksten van enkele juristen die zijn geïntroduceerd onder een numerieke opsomming. Er is geen poging gedaan om algemene principes te genereren die vervolgens zelf als onderwerp van de artikelen zouden kunnen dienen waaronder verschillende kwesties zouden vallen. In plaats daarvan werden de kwesties zelf gerangschikt als afzonderlijke artikelen, en dit is onverenigbaar met het canonieke format. Zelfs wanneer sommige artikelen in de vorm van principes kwamen, werden ze niet op een allesomvattende wijze geformuleerd. Ze waren eerder niets meer dan definities uit de islamitische jurisprudentie (Fiqh) boeken, en bijna alle artikelen volgden deze stijl. Gevolglik is het niet toegestaan om die canonieke werken als referentie te nemen, vanwege hun foutieve stijl, oppervlakkige informatie en de afstand tot de erkende regels van de sharia, die gebaseerd zijn op de gedetailleerde bewijzen (adillah tafseeliyyah).
It is not permitted to refer to reference works written along the lines of the codification of western law books as a reference for Sharee’ah rules. This is because these books are a form of imitation of Western laws and such codification reduces the fiqh and is dominated by taking fiqh issues without any daleel or with a weak daleel. It is also dominated by the notion of adapting to the age and twisted interpretations to comply with the Western viewpoint in solving the problems. This is in addition to the lack of the legislative aspect and the absence of Ijtihad in these books. So they are not suitable for application or as a reference. Their existence was a disaster for fiqh and legislation because it was an attempt at imitation that weakened the people’s perception of Islamic fiqh. This is in spite of the vast amount of Islamic fiqh and it being the richest jurisprudence of all nations. This fiqh is indispensable for the judges and rulers, but codifying it in a form which imitates the canonical format has reduced and disgraced it and made the judges, when they confined themselves to the knowledge of these canons, ignorant in fiqh. In addition, these books lack the appropriate legal wording, because they are a host of jurisprudence texts of some jurists that have been introduced under numerical listing. No attempt has been made to generate general principles that could then themselves be taken as the subject of the articles under which different issues would fall. Instead the issues themselves were arranged as separate articles and this is incompatible with the canonical format. Even when some of the articles came in the form of principles they were not stated in a comprehensive manner. Rather they were no more than definitions from the fiqh books and almost all articles followed this style. Consequently, it is not permissible to take those canons as a reference, because of their erroneous style, superficial information, and remoteness from the recognised Sharee’ah rules which are based on the detailed evidences (adillah tafSeeliyyah).
Om een grondwet en wetten op te stellen die begrepen en nageleefd kunnen worden door de rechters en heersers, dient de volgende methode in wetgeving te worden gevolgd:
In order to put together a constitution and cannons that can be comprehended and followed by the judges and rulers, the following method in legislation should be followed:
1. Menselijke problemen moeten worden bestudeerd, zodat een algemene grondwet wordt geschreven die deze adresseert in de vorm van algemene allesomvattende principes of allesomvattende Shar’ai-regels. Deze principes en regels moeten worden afgeleid uit de islamitische jurisprudentie (Fiqh), op voorwaarde dat ze ofwel zijn overgenomen van een van de zelfstandig rechtsgeleerden (Mujtahids), waarbij hun bewijs (Daleel) wordt vermeld en men ervan overtuigd is, ofwel uit de Qur'an, de profetische traditie (Sunnah), de consensus (Ijma’) van de Sahaba of analogie (Qiyas), maar uitsluitend door middel van een correcte zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad), zelfs als het Ijtihad op een enkelvoudig kwestie betreft. In de inleiding van elk artikel moet de rechtsschool (Madhhab) vermeld worden waarvan het is overgenomen, samen met het bewijs (Daleel), of het bewijs (Daleel) waaruit het is afgeleid. Noch de invloed van de slechte situatie van de moslims, noch de situatie van andere naties of de niet-islamitische systemen mag in overweging worden genomen bij het opstellen van een dergelijke grondwet.
1. Human problems have to be studied, so a general constitution is written addressing them in the form of general comprehensive principles or comprehensive Shar’ai rules. These principles and rules have to be derived from Islamic fiqh, on condition that they are either taken from one of the mujtahids, mentioning their daleel and being convinced of them or from the Qur’an, the Sunnah, Ijma’a as-Sahaba or Qiyas, but only through a correct Ijtihad, even if it is Ijtihad on a single issue. In the introduction for each article, the madhab from which it is taken together with its daleel, or the daleel from which it was deduced, must be mentioned. Neither the influence of the bad situation of the Muslims nor the situation of the other nations or the non-Islamic systems should be taken into consideration when putting down such a constitution.
2. AHkam Shara’iah zouden moeten worden vastgelegd als conceptwetten voor het strafrecht (‘uqubaat), rechten (Huqooq) en getuigenbewijzen (bayyinaat). Dit dient te geschieden volgens de eerder genoemde criteria, compatibel te zijn met de grondwet, met verwijzing naar de rechtsschool (Madhhab) en het bewijs (Daleel), onder de voorwaarde dat de juridische samenstelling bestaat uit algemene principes, zodat het als referentie kan dienen voor de rechters en de heersers.
2. AHkam Shara’iah should be put down as draft canons for the penal code (‘uqubaat), rights (Huqooq) and testimonial proofs (bayyinaat). This should be according to the aforementioned criteria, be compatible with the constitution, with reference to the madhab and the daleel on the condition that its legal composition is with general principles so to serve as a reference for the judges and the rulers.
3. De Shar’ai-teksten, de islamitische jurisprudentie (Fiqh) en usool-ul-fiqh zouden het referentiepunt moeten zijn voor rechters en heersers bij het interpreteren van de grondwet en de wetten, om de middelen voor een diepgaand begrip te vergemakkelijken. Het is de rechter niet toegestaan om vonnissen uit te spreken die in strijd zijn met wat de staat heeft aangenomen, omdat,
3. The Shar’ai texts, the Islamic fiqh and usool-ul-fiqh should be the reference point when interpreting the constitution and the laws by the judges and rulers, in order to facilitate the means of deep understanding. The judge is not permitted to issue verdicts contradictory to what the state has adopted because,
“Het besluit van de imam is zowel openlijk als verborgen uit te voeren.” In gevallen waarin de Staat geen regels heeft aangenomen, zal de rechter het vonnis uitspreken op basis van de Hukm Shar’ai die hij van toepassing acht op de zaak, of dit nu een mening is van een van de mujtahids of een mening die door zijn eigen zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) is afgeleid.
“The decree of the Imam is to be executed overtly and covertly.” In cases where the State has not adopted rules, the judge will issue the verdict based on the Hukm Shar’ai he views as applicable to the case, whether this opinion is of one from the mujtahids or an opinion derived by his own Ijtihad.
4. Bij het afleiden van de regels en het overnemen ervan, is het noodzakelijk om de realiteit (van de kwestie) te begrijpen (en deze te doorgronden) en om te begrijpen wat noodzakelijk is om de realiteit te behandelen op basis van het Shar’ai-bewijs; met andere woorden, om de regel van Allah (SWT) over deze kwestie te begrijpen en vervolgens de regel toe te passen op de realiteit. Dat wil zeggen, om tot de Hukm Shar’ai te komen door de realiteit van de kwestie te begrijpen en volledig te doorgronden.
4. When deriving the rules and adopting them, it is necessary to understand the reality (of the issue and comprehend it) and to understand what is necessary to treat the reality from the Shar’ai evidence; in other words to understand the rule of Allah (swt) on this issue and then to apply the rule on the reality. That is, to arrive at the Hukm Shar’ai by understanding and fully comprehending the reality of the issue.