Niveaus van de aanwijzing van de Fiṭrah voor het bestaan van Allah
Levels Of The Indication Of The Fiṭrah For The Existence Of Allah
Het argument uit de fiṭrah voor het bestaan van Allah beperkt zich niet tot het element dat in de ziel aanwezig is en dat de mens ertoe verplicht te erkennen dat er een Schepper is. Het is juist mogelijk dat de fiṭrah dit wezenlijke feit op verschillende manieren en op diverse niveaus openbaart.
The argument from fiṭrah for Allah is not limited to the element that exists in the soul, which requires a person to affirm that there is a Creator. Rather, it is possible that the fiṭrah reveals this substantial fact in a number of ways and at various levels.
Eerste niveau: De aanduiding van basale rationele begrippen
First level: The indication of basic rational concepts
Van de zaken die een mens automatisch kan bevatten, zijn bepaalde natuurlijke en rationele feiten, aangeduid als intuïtieve kennis of vanzelfsprekende waarheden. Deze zijn van nature bekend en worden door de ziel verworven zonder enige analyse of redenering. Dit staat in tegenstelling tot het soort kennis dat bekendstaat als theoretische kennis, die uitsluitend door analyse en redenering verkregen kan worden.
Of the issues a person can automatically grasp are certain natural and rational facts, referred to as intuitive knowledge or self-evident truths. These are innately known and are acquired by the soul without any analysis or reasoning. This is in contrast to the type of knowledge that is known as theoretical knowledge, which can be acquired only via analysis and reasoning.
Het verschil tussen de twee zou duidelijk moeten zijn; sterker nog, het zou vanzelfsprekend moeten zijn, zodat elke persoon het onmiddellijk moet herkennen, in tegenstelling tot theoretische kennis die vatbaar kan zijn voor twijfel en bezwaar. Dergelijke bezwaren kunnen worden weerlegd door analyse en redenering. Het is in de aard van intuïtieve kennis dat zij niet afhankelijk is van bewijs; intuïtieve kennis zelf wordt juist als bewijs gebruikt. Theoretische kennis wordt ter verificatie teruggebracht tot intuïtieve kennis. Dit uitleggend zegt Ibn Ḥazm: ‘Alles wat onmiddellijk verkregen kan worden door logica of de zintuigen heeft helemaal geen bewijs nodig. Integendeel, het zijn dit soort feiten die iedereen zou moeten gebruiken als bewijs en weerlegging, waarna zijn theoretische redenering als juist of onjuist kan worden beschouwd.’42
The difference between the two should be clear; in fact, it should be self evident such that every person must instantly recognise it, as opposed to theoretical knowledge that can be prone to doubt and objection. Such objections may be repelled through analysis and reasoning. It is in the nature of intuitive knowledge that it is not dependent on proof; rather, intuitive knowledge itself is used as evidence. Theoretical knowledge is referred back to intuitive knowledge for verification. Explaining this, Ibn Ḥazm says, ‘Whatever that can be acquired immediately through logic or the senses is not in need of evidence at all. Rather, it is these types of facts that everyone ought to use as evidence and refutation, after which his theoretical reasoning can be deemed to be correct or incorrect.’42
Muʿallimī zei: ‘Wat betreft intuïtieve en vanzelfsprekende informatie, de logici zijn het erover eens dat zij de munt van de logica is. Anderzijds kan het verkrijgen van informatie uit analytische kennis alleen worden nagestreefd wanneer zij gebaseerd is op en teruggaat tot de eerstgenoemde.’43 Redeneren kan niet werken zonder het bestaan van intuïtieve informatie. Zonder die zou cirkelredenering en oneindige regressie het gevolg zijn, waardoor het gehele redeneringssysteem zou instorten. Dit uitleggend zei Ibn Taymiyyah: ‘Kennis die verworven wordt door het analyseren van bewijs moet terugverwijzen naar intuïtieve proposities. Elke kennis die niet intuïtief is, moet terugverwijzen naar intuïtieve kennis. Als theoretische proposities voortdurend door hun gelijke worden bewezen, zou cirkelredenering of een oneindige regressie van oorzakelijkheid ontstaan. Uit noodzaak en met instemming van de logici zijn beide op een aantal fronten ongeoorloofd.’
Tweede niveau: Morele intuïtie
Second level: Moral instinct
Uit de door de fiṭrah gedreven elementen die de mens in zichzelf aantreft, is het diep geworteld morele instinct er één. Hiermee kan men niet alleen begrijpen wat goede en slechte zeden zijn, maar men voelt ook instinctief dat deze morele waarden van nature objectief zijn. Het objectief zijn is wat deze zeden hun ware waarde geeft en hen van relativiteit bevrijdt. Dit zijn objectieve werkelijkheden die niet alleen het menselijk bestaan overstijgen, maar al het materiële bestaan. Of de mens en het universum nu bestaan of niet, deze morele waarden behouden hun objectiviteit.
From the fiṭrah-driven elements that man finds in himself is the deeply entrenched moral instinct. With this, one can grasp not only what are good and bad morals, but one also instinctively feels that these moral values are objective by nature. Being objective is what gives these morals their true value and removes relativity from them. These are objective realities that transcend not only human existence, but all material existence. Whether man and the universe exist or not, these moral values retain their objectivity.
Begrip is tweeledig: het vermogen om goed van kwaad te onderscheiden, en het vermogen om de objectiviteit te begrijpen die in de waarden van goed en kwaad besloten ligt. Dit dubbele begrip kan in dit onderwerp worden ingezet, waarin wij proberen aan te tonen dat er in onszelf aangeboren aanleg bestaat die wijst op het bestaan van God. Want deze morele neiging kan niet worden verklaard zonder het bestaan van het Goddelijke te bevestigen. Zoals de rationele begrippen ons doen vragen: ‘Wie heeft ze in de ziel geplaatst?’, zo vraagt de morele neiging ons evenzeer: ‘Wie heeft haar daar geplaatst?’ Er is nog een diepere vraag: Wat verklaart dit instinctieve gevoel in ons dat rechtvaardigheid een objectieve waarde is die haar universeel goed maakt, in tegenstelling tot onrechtvaardigheid, die wij noodzakelijkerwijs als een objectief slechte eigenschap beschouwen? Is het dan mogelijk een filosofisch coherente morele visie te bieden in het licht van de opvatting die het bestaan van God niet erkent? Anders gezegd: is het mogelijk dat er enig objectief goed bestaat zonder het bestaan van God? Nog anders gezegd: is het mogelijk dat een mens goed en rechtschapen kan zijn zonder het bestaan van God?
Comprehension is twofold: the ability to distinguish good from evil, and the ability to comprehend the objectivity found in the values of good and evil. This duet of comprehension can be deployed in this subject, in which we are attempting to demonstrate the existence of innate predispositions in our own selves that point to the existence of God. This is because this moral inclination cannot be explained without affirming the existence of the Divine. Just as the rational concepts require that we ask the question ‘Who placed them in the soul?’, then likewise the moral inclination requires us to ask: ‘Who placed it there?’ There is another question that is deeper: What explains this instinctive feeling in ourselves that justice is an objective value that makes it universally good, as opposed to injustice, which we necessarily consider to be an objectively evil trait? Consequently, is it possible to offer a philosophically coherent moral outlook in light of the view that does not acknowledge the existence of God? In other words, is it possible that there is any objective good without the existence of God? Put in another way: Is it possible that a person can be good and righteous without the existence of God?
Derde niveau: Instinct
Third level: Instinct
Toen ik de wereld van het lezen betrad, was een van de eerste boeken die ik las dat van Shawkiy Abu Khalil, getiteld Gharīzah am Taqdīr Ilāhī? (Instinct of Goddelijke Voorbeschikking?). Dit boek brengt prachtige tafereelen uit de dierenwereld, waarin dieren instinctief bepaalde handelingen verrichten die in hun overlevingsbelang zijn, zonder ooit te zijn opgeleid, getraind of opgevoed om dat te doen.
When I embarked the world of reading, one of the first books I read was by Shawkiy Abu Khalil titled Gharīzah am Taqdīr Ilāhī? (Instinct or Divine Decree?). This book adopts wonderful scenes from the animal world, in which animals instinctively carry out specific actions that are in their survival interests, without ever being educated, trained, or brought up to do so.
Wie leidde een kind ertoe de borst van zijn moeder te nemen? Wie plantte het moederlijke instinct in het hart van een moeder, zodat zij voor haar kinderen zorgt? Wie leerde vogels te trekken tussen bepaalde plaatsen? Wie bracht het overlevingsinstinct aan in alle levende wezens? Wie prentte de liefde voor schoonheid in de ziel? Al deze verschijnselen roepen, net als hun voorgangers die aangeboren zijn in levende mensen en dieren, de vraag op: Hoe zijn deze instincten ontstaan? Wie heeft ze in de ziel geschapen? Vraag de atheïst hierover. Hij zal uitweiden over het darwinisme en hoe deze instincten een integraal onderdeel waren van het evolutieproces ten behoeve van het overleven van levende wezens. Toch blijft de vraag: waar kwamen deze instincten oorspronkelijk vandaan? Anders gezegd: hoe kon, in het licht van de darwinistische evolutie, dit instinct ontstaan, dat op een bepaald moment tijdens de evolutie nog niet bestond, om vervolgens plotseling zo diep verankerd in de zielen van schepselen te verschijnen? Wanneer verschenen deze instincten precies voor het eerst? Hoe zijn ze gevormd? En hoe worden ze van generatie op generatie doorgegeven? Atheïsten hebben geen antwoord op deze vragen. Het enige wat zij hebben is ofwel hun volledige verbijstering uitspreken, ofwel het gesprek terugbrengen naar het egoïstische gen85 dat een levend wezen aanzet om koste wat kost te overleven. Wij kunnen slechts meedansen op zijn deuntje, zoals Richard Dawkins het beroemd verwoordt. Denk eens na over het instinct van een moeder. Vertel me eens: heb jij iets zuiverders gezien dan dat? Ik zweer bij Allah, er bestaat niets in het bestaan dat gelijkt op het hart van een moeder, een symbool van ware liefde en volmaakt medelijden. Ik vraag je bij Allah om jezelf de verhalen over moeders met hun kinderen in herinnering te roepen; het zijn eindeloze wonderen die woorden niet kunnen beschrijven. Terwijl ik deze woorden schrijf, word ik geconfronteerd met tientallen verhalen:
Who guided a child to take the breast of its mother? Who planted the instinct of motherhood in a mother’s heart, so that she looks after her children? Who taught birds to migrate between specific places? Who instilled the survival instinct in all living things? Who imprinted the love of beauty in the soul? All these phenomena, like their predecessors that are innately found in living humans and creatures, beg the question: How did these instincts come about? Who created them in the soul? Ask the atheist about them. He will go on about Darwinism and how these instincts were part and parcel of the evolution process for the purpose of survival of living creatures. However, the question remains: Where did these instincts come from in the first place? In other words, in light of Darwinist evolution, how did this instinct come about, which at a point of time during evolution did not exist, only to appear all of a sudden in such a deeply embedded manner within creature’s souls? When exactly did these instincts first appear? How did they form? And how are they generationally passed down? Atheists have no answer to these questions. The only thing they have is either to express their utter confoundment or to bring this discussion back to the selfish gene85 that pushes a living being to survive at any cost. We can only dance to its tune, which is how Richard Dawkins famously puts it. Ponder over a mother’s instinct. Pray tell me – have you seen anything purer than that? I swear by Allah, there is nothing in existence like a mother’s heart – a symbol of true love and perfect compassion. I ask you by Allah to remind yourself of the stories of mothers with their children – they are endless wonders that words are unable to describe. As I write these words, I am confronted by dozens of stories:
Vierde niveau: Teleologische neiging
Fourth level: Teleological tendency
Een andere aangeboren neiging die in de mens aanwezig is, is zijn diepe emotionele zin voor doel, of teleologische neiging. Het is dit gevoel dat hem de grote vragen doet stellen: ‘Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik hier? Waar zal ik eindigen?’ Deze diepe vragen zijn wat mensen van dieren onderscheidt. Als dieren bewegen op grond van hun oerinstincten, dan is het bij de mens de aangeboren neiging om het doel van zijn bestaan en leven te zoeken die hem in beweging brengt. Daarom zijn de meest waarachtige namen Ḥārith (ploeger) en Hammām (energieke werker), zoals gesteld door de Profeet ﷺ 95, omdat zij twee kernkenmerken van de mens omvatten die zijn verlangen om te wensen en te zoeken weerspiegelen. Deze twee eigenschappen zijn niet mogelijk zonder het bestaan van iets dat gewenst en gezocht kan worden. Het uiteindelijke doel dat gezocht kan worden is Allah.
Another innate tendency present in man is his deep emotional sense of purpose, or teleological tendency. It is this feeling that makes him ask the big questions: ‘Who am I? Where did I come from? Why am I here? Where will I end up?’ These deep questions are what distinguish humans from animals. If animals desire to move on their primal instincts, what moves man is his innate tendency to seek out the purpose of his existence and life. This is why the truest of names are Ḥārith (ploughman) and Hammām (energetic worker), as stated by the Prophet 95, as they comprise of two central features of man that represent his desire to wish and to seek. These two traits are not possible without the existence of something that can be wished and sought after. The ultimate aim that can be sought is Allah .
Zoals Ibn Taymiyyah zei: ‘De ziel kan niet leeg zijn van gevoel en verlangen. Sterker nog, zo'n leegte is in de ziel onmogelijk. Gevoel en verlangen maken deel uit van haar werkelijkheid. Een ziel kan zich niet voorstellen zonder gevoelen en verlangen. Het is niet juist te zeggen dat de ziel leeg kan zijn van de Schepper – leeg van het gevoelen van Zijn bestaan of niet-bestaan, of van Zijn liefde of het ontbreken daarvan. Het is niet juist te zeggen dat het erkennen van Hem en Zijn liefde geen noodzakelijk onderdeel van het bestaan van de ziel is, ook niet wanneer er niets tegen is. Integendeel, dat is onwaar, want de ziel draagt wat zij begeert als een noodzakelijk onderdeel van haar fiṭrah. Omdat de ziel altijd verlangt als een noodzakelijke functie van haar wezen, is het niet voor te stellen dat de ziel van een mens ooit leeg kan zijn van verlangen naar iets. Hierom zei de Profeet ﷺ: “De waarachtigste namen zijn Ḥārith en Hammām.” De ziel is immers een levend wezen, en elk levend wezen beweegt uit eigen wil. Daarom moet de ziel een beweging hebben die zij voor zichzelf wil. Zo moet elk “willend wezen” iets hebben waarnaar het verlangt. Wat men wenst, is ofwel om zichzelf, ofwel als middel tot iets anders; iets dat als middel tot iets anders wordt gewenst, moet onvermijdelijk tot het primaire verlangen leiden. Het is dus onmogelijk dat alle wensen van een mens middelen tot iets anders zijn, want dat zou leiden tot de dwaling van een oneindige reeks van uiteindelijke oorzaken, wat onmogelijk is, net als – of zelfs nog meer dan – een oneindige reeks van werkende oorzaken. Aangezien de mens iets moet hebben dat hij wil, is het uiteindelijk Allah naar Wie zijn hart verlangt. Daarom moet elke dienaar een god hebben. Hieruit leren we dat de dienaar van nature is aangelegd om zijn god lief te hebben.’96
Vijfde niveau: De neiging tot vrije wil
Fifth level: The tendency for free will
Een kenmerk van de mens is dat hij van nature in zichzelf het onderscheid voelt tussen zijn keuzes en die handelingen die onwillekeurig van hem voortkomen. Wanneer iemand een glas water naar zijn mond brengt, zijn tas oppakt of in zijn auto stapt, kan hij instinctief onderscheid maken tussen die handelingen en het kloppen van zijn hart, het stromen van het bloed door zijn aderen en de koude rillingen die zijn lichaam voelt. Iemand kan er bewust voor kiezen een tijdlang de adem in te houden, maar hij is niet in staat dat vol te houden, omdat de onwillekeurige lichaamsreactie hem dwingt te ademen. Deze aangeboren neiging – dat mensen een vrije wil hebben, wat zij instinctief kunnen voelen – vraagt om een verklaring. Het bestaan van deze neiging vraagt zelfs om een verklaring.
A feature of humans is that they instinctively feel within themselves the differentiation between man’s choices and those acts that emanate involuntarily from him. When a person raises a glass of water to his mouth, picks up his bag, or gets in his car, he can instinctively differentiate between those and his heart pulsing, the blood running in his veins, and the cold shivers his body feels. A person can stop breathing for a while by choice, but he is unable to continue to do so, as the involuntary bodily reaction requires him to breath. This innate tendency – that people have free will, which they can instinctively feel – requires an explanation. In fact, the existence of this tendency requires an explanation.
Het lijkt erop dat het atheïsme, gezien zijn materialistische visie op het bestaan, geen aannemelijke verklaring kan bieden voor het verschijnsel van de vrije wil. Als onze vrijwillige handelingen louter en uitsluitend het gevolg zijn van biochemische interacties en elektrische impulsen in het neuromusculaire systeem van het lichaam, en dat alles wordt beheerst door vaste wetten, hoe is het dan mogelijk dat er enige vrije wil bestaat? Dit heeft ertoe geleid dat veel atheïsten een extreem deterministische filosofie aanhangen. In deze opvatting is de vrije wil een illusie en is de mens in feite geprogrammeerd om te doen wat hij doet, ook al denkt hij misschien dat hij een vrije wil heeft. In de klassieke Arabische literatuur heeft een determinist dit uitgedrukt als: ‘De mens is geprogrammeerd met het beeld van iemand met een vrije wil.’
It would seem that atheism, in light of its materialistic outlook on existence, is unable to offer a plausible explanation for the phenomenon of free will. If our voluntary actions are merely and exclusively the result of biochemical interactions and electric pulses in the body’s neuromuscular system, and that is all governed by fixed laws, how is it possible for there to be any free will? This has led many atheists to adopt an extreme determinist philosophy. In this conceptualisation, free will is an illusion and man is actually programmed to do what he does, even though he might think he has free will. In classical Arabic literature, one determinist expressed this as ‘Man is programmed with an image of one with free will’.
42 Al-Faṣl fī al-Milal wa al-Ahwā’ wa al-Niḥal, 5/242; zie ook 1/40.
42 Al-Faṣl fī al-Milal wa al-Ahwā’ wa al-Niḥal, 5/242; see also 1/40.
Al-Qā’id ilā Taṣḥīḥ al-ʿAqā’id, blz. 38.
43 Al-Qā’id ilā Taṣḥīḥ al-ʿAqā’id, p. 38.
Dar' Ta'āruḍ al-'Aql wa al-Naql, 3/309.
44 Dar’ Taʿāruḍ al-ʿAql wa al-Naql, 3/309.
45 Al-Radd ʿalā al-Manṭiqiyyīn, blz. 249.
45 Al-Radd ʿalā al-Manṭiqiyyīn, p. 249.
Dar' Ta'āruḍ al-'Aql wa al-Naql, 3/319.
46 Dar’ Taʿāruḍ al-ʿAql wa al-Naql, 3/319.
47 Al-Aʿrāf, 201.
47 Al-Aʿrāf, 201.
Dar' Ta'āruḍ al-'Aql wa al-Naql, 8/531.
48 Dar’ Taʿāruḍ al-ʿAql wa al-Naql, 8/531.
49https://physicscourses.colorado.edu/phys3220/phys3220_fa08/quotes.html#:~:text=*%20If%20you%20ar e%20not%20completely,Albert%20Einstein.
49https://physicscourses.colorado.edu/phys3220/phys3220_fa08/quotes.html#:~:text=*%20If%20you%20ar e%20not%20completely,Albert%20Einstein.
50 Ibid.
50 Ibid.
51 Ibid.
51 Ibid.
52 The Grand Design, p. 15.
52 The Grand Design, p. 15.
53 De Grote Opzet, blz. 93.
53 The Grand Design, p. 93.