5.6 Het zoeken naar Nussrah
5.6 Seeking the Nussrah
“En er waren boodschappers vóór jullie die werden gelogen, en zij bleven geduldig na hun verwerping en hielden vol totdat de overwinning hen bereikte” (TMQ al-An’am, vers 34)
“And Messengers before you were belied and yet they remained patient after their rejection and persevered until our Victory came to them” (TMQ al-An’am, verse 34)
Ibn Katheer heeft overgeleverd van imam Ali (vrede zij met hem): “Toen Allah Zijn Boodschapper ﷺ beval om zich aan de Arabische stammen voor te stellen, ging hij naar Mina vergezeld door mij en Abu Bakr (vrede zij met hem), waar wij bij een bijeenkomst van de Arabische stammen aankwamen.” (Bidayah wan Nihayah Vol 3)
Ibn Katheer has narrated from Imam Ali (ra): “When Allah commanded His Messenger (saw) to present himself to the Arab tribes, he went out to Mina accompanied by myself and Abu Bakr (ra) where we came to a gathering of the Arab tribes.”(Bidayah wan Nihayah Vol 3)
Daarom begon de Profeet ﷺ verschillende stammen en stamhoofden te benaderen om de Nussrah te verkrijgen, oftewel de fysieke steun, om zo de autoriteit van de Profeet ﷺ te vestigen, wat in de praktijk de autoriteit van de religie (Deen) is. Hij zocht militaire steun bij degenen die in staat waren zijn ﷺ autoriteit te handhaven en de moslims te beschermen. Een autoriteit die in staat zou zijn om de implementatie van de Islam en de verspreiding van de Islam over de hele wereld op militair gebied te waarborgen.
Hence, the Prophet (saw) started to approach the various different tribes and tribal leaders in order to secure the Nussrah i.e. the physical support so as to establish the authority of the Prophet (saw), which is practically the authority of the Deen. He went seeking military support from those that were capable of maintaining his (saw) authority and protecting the Muslims. An authority that would be able to ensure the implementation of Islam and the carrying of Islam across the world militarily.
Imam Tirmidhi vertelt in zijn al-Jami’u dat tijdens het Ukaz-forum de Profeet ﷺ de goede berichten van de Paradijs (Jannah) en de beloften van succes communiceerde aan hen die geloofden en de islam droegen. Hij zou hen openlijk informeren dat zij zeker zouden floreren, het hele Arabisch Schiereiland zouden regeren en Perzië zouden onderwerpen als zij het monotheïsme (Tawhid) belijden en de autoriteit van de Profeet ﷺ accepteerden. Ibn Ishaq vertelt van az Zuhri (vrede zij met hem) dat de Profeet ﷺ “naar de Banu ‘Aamer bin Sa’sa’ah ging, hen tot Allah riep en zichzelf aan hen aanbood: ‘Geef mij steun en bescherm mij’ (Ibn Hisham)). Een van hen, genaamd Bayhara bin Firas, zei: ‘Bij Allah, als ik deze jonge man van de Quraysh kon krijgen, dan zou ik met hem alle Arabieren kunnen veroveren’. Hij vroeg toen aan de Profeet ﷺ: ‘Denkt u dat als wij u zouden volgen en Allah u de overwinning geeft, wij de leiding na u zouden krijgen?’ Hij ﷺ antwoordde: ‘De leiding behoort toe aan Allah, die het plaatst waar Hij wil..’ Bayhara antwoordde: ‘Zullen wij onze hals blootstellen aan de Arabieren ter verdediging van u, en dan wanneer u zegevierend bent, de leiding ergens anders naartoe gaat? Wij hebben uw religie (Deen) niet nodig!’ Toen dit nieuws de een van de Shaykhs van Banu ‘Aamer bereikte, die niet in staat was om de hadj te maken en consequent ook de bijeenkomst, verklaarde hij: ‘Banu ‘Aamer, is er een manier waarop we dit recht kunnen zetten? Is er een manier waarop we deze verloren kans kunnen terugwinnen? Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, geen nakomeling van Isma’eel heeft dit ooit vervalst. Het is inderdaad de Waarheid! Wat is er gebeurd met uw vermogen om hem te beoordelen?’ (Ook overgeleverd door Ibn Hisham en imam at-Tabari in zijn Tareekh volume 6 en ook de Bidayah wan Nihayah van Ibn Kathir Vol 3 p. 139).
Imam Tirmidhi narrates in his al-Jami’u that during the Ukaz forum the Prophet (saw) would communicate the glad tidings of Jannah and promises of success to those who believed and carried Islam. He would openly inform them that they would surely prosper, rule the whole of the Arabian Peninsula and subdue Persia if they professed Tawheed and accepted the authority of the Prophet (saw). Ibn Ishaq narrates from az Zuhri (ra) that the Prophet (saw) “Went to the Banu ‘Aamer bin Sa’sa’ah called them to Allah and offered himself to them: “Give me the support and protect me” (Ibn Hisham)). One of them by the name of Bayhara bin Firas said, ‘By Allah if I could take this young man from the Quraysh then I could conquer all the Arabs with him’. He then asked the Prophet (saw), ‘Do you think that if we followed you and Allah gave you the victory that we could have the command after you?’ He (saw) replied, ‘The Command belongs to Allah, who places it where he wills..’ Bayhara replied, ‘Are we to expose our throats to the Arabs in your defence and then when you are victorious the command will go somewhere else? We do not need your Deen!’ When this news reached one of the Shaykhs of Banu ‘Aamer who was unable to make the Hajj, and consequently the meeting, he stated, ‘Banu ‘Aamer is there any way we can make this right? Is there any way we can regain this lost opportunity? By Him in whose hand is my soul no descendant of Isma’eel has ever falsified this. It is indeed the Truth! What happened to your ability to judge him?’ (Also narrated by Ibn Hisham and Imam at-Tabari in his Tareekh volume 6 and also the Bidayah wan Nihayah of Ibn Kathir Vol 3 p. 139).
De Profeet ﷺ ging ook discussies aan met Banu Sheeban bin Thalabah, die verklaarden dat zij de Profeet ﷺ zouden steunen tegen de Arabieren, maar niet tegen de Perzen. Opnieuw weigerde de Profeet ﷺ deze voorwaardelijke steun, aangezien hij ﷺ zocht naar onvoorwaardelijke steun tegen de gehele wereld, een zaak die erop wijst dat hij ﷺ een visie had om anderen te verspreiden en te veroveren met deze religie (Deen) zodra deze was gevestigd.
The Prophet (saw) also entered into discussions with Banu Sheeban bin Thalabah who stated that they would support the Prophet (saw) against the Arabs but not against the Persians. Again, the Prophet (saw) refused this conditional support as he (saw) was seeking an unconditional support against the whole of the world, a matter which indicates that he (saw) had a vision of spreading and conquering others with this Deen once it was established.
Bovendien heeft Ibn Kathir overgeleverd in zijn Bidayah wan Nihayah van Abdullah ibn Ka’ab ibn Malik dat: “de Boodschapper ﷺ naar een tak van de Banu Kalb ging waarvan hun leider Malih was. Hij nodigde hem uit tot Allah en vroeg vervolgens om bescherming (Nussrah), maar zij wezen hem af” (Bidayah wa-Nihayah Vol. 3 pagina 139).
Also, Ibn Kathir has narrated in his Bidayah wan Nihayah from Abdullah ibn Ka’ab ibn Malik that, “the Messenger (saw) went to a branch of the Banu Kalb whose leader was Malih. He invited him towards Allah and then demanded protection (Nussrah), but they turned him down” (Bidayah wa-Nihayah Vol. 3 page 139).
Ibn Abbas (vrede zij met hem) overleverde dat Ali bin Talib (vrede zij met hem) tegen hem zei: “Toen Allah, de Verhevene, de Sublieme, Zijn Profeet ﷺ vroeg om te prediken onder de stammen van Arabië, vertrok hij samen met Abu Bakr (vrede zij met hem) naar Mina. We gingen naar een van de bijeenkomsten van de Arabische stammen. Sayyidana Abu Bakr kwam naar voren en bracht hen Salam. Hij kwam op dergelijke gelegenheden altijd naar voren omdat hij een expert was in de afstamming van de Arabieren. Hij vroeg: ‘Welke van de stammen zijn jullie?’ Zij antwoordden: ‘Rabiah’. ‘Welke tak van Rabi-’ah?’ vroeg hij opnieuw.” Vervolgens is een lange overlevering (Hadith) overgeleverd waarin is verteld (door Sayyidana ‘Ali): “Toen gingen we naar een bijeenkomst van een stam die zeer waardig en stil was. Een aantal eervolle en waardige oude mannen zat daar. Abu Bakr kwam naar voren en bracht Salam.” ‘Ali zei verder: “Hij kwam op alle dergelijke gelegenheden altijd naar voren. Abu Bakr vroeg hen: ‘Welke van de stammen zijn jullie?’ Zij zeiden: ‘Wij zijn Banu Shaiban Tha’libah.’ Toen zei Abu Bakr tegen de Boodschapper van Allah ﷺ: ‘Moge mijn ouders voor u worden geofferd, niemand anders dan zij is eervoller in deze stam.’ Maruq ibn Amr, Hani ibn Qabisah, Mathanna ibn Haritha en Nu’man ibn Sharik waren ook aanwezig in die stam. Mafruq ibn Amr was nauw verwant aan Abu Bakr. Hij was de meest welbespraakte van hen. Twee lokken van zijn haar (d.w.z. vlecht) kwamen tot op zijn borst. In die bijeenkomst zat hij het dichtst bij Abu Bakr. Abu Bakr vroeg hen: ‘Wat is jullie aantal?’ Zij zeiden: ‘Wij zijn duizend in aantal; en duizend is geen klein getal.’ ‘Hoe zit het met jullie verdediging?’ vroeg Abu Bakr. ‘Wij strijden altijd (en verdedigen onszelf), want elke natie is verplicht om te blijven strijden.’ Toen vroeg Abu Bakr: ‘Hoe zit het met (het resultaat van) de strijd tussen jullie en jullie vijanden?’ Mafruq zei: ‘Wanneer wij vechten, zijn we in een van onze razernijen en de strijd is verhit. Wij zorgen voor de paarden die in de strijd worden gebruikt, meer dan voor onze kinderen; en wij verkiezen wapens boven de melkvee.’” Wat de overwinning betreft, die is van Allah. Soms behalen wij de overwinning, soms behalen zij de overwinning.
Ibn Abbas (ra) narrated that Ali bin Talib (ra) told him, “When Allah, the Glorified, the Sublime, asked His Prophet (saw) to preach among the tribes of Arabia, he set out along with Abu Bakr (ra) for Mina. We went to one of the assemblies of the Arabian tribes. Sayyidana Abu Bakr came forward and paid Salam to them. He always came forward on such occasions because he was an expert in the lineage of the Arabs. He asked: “Which of the tribes are you”. They replied, ‘Rabiah’. ‘Which branch of Rabi-’ah’? He again asked.” Then a long Hadith has been transmitted in which it has been told (by Sayyidana ‘Ali): “Then we went to an assembly of a tribe which was very dignified and quiet. A number of honourable and dignified old men were sitting there. Abu Bakr came forward and paid Salam.” ‘Ali further said, “He always came forward on all such occasions. Abu Bakr asked them, ‘Which of the tribes are you?’ They said, “We are Banu Shaiban Tha’libah.’ Then Abu Bakr told the Messenger of Allah (saw) ‘May my parents be sacrificed for you, none besides them is more honourable in this tribe.’ Maruq ibn Amr, Hani ibn Qabisah, Mathanna ibn Haritha, and Nu’man ibn Sharik were also present in that tribe. Mafruq ibn Amr was closely related to Abu Bakr. He was the most eloquent person of them. Two locks of his hair (i.e. braid) came down to his chest. In that assembly he was nearest to Abu Bakr. Abu Bakr asked them, ‘What is your number?” They said, ‘We are one thousand in number; and one thousand is not a little figure.’ ‘What about your defence?’ asked Abu Bakr. ‘We always struggle (and defend ourselves), for every nation is bound to keep on struggle.’ Then Abu Bakr asked, ‘ What about (the result of) the battle between you and your enemies?’ Mafruq said ‘ When we fight, we are in one of our furies and the battle is enraged. We take care of the horses, used in the battle, more than our children; and prefer weapons over the milk-animals. So far as the victory is concerned, it is from Allah. Sometimes we gain victory, sometimes they gain victory.
‘Ik denk dat je bij de Quraysh hoort.’ Toen zei Abu Bakr: ‘Ik denk dat je al geïnformeerd zou zijn over de Boodschapper van Allah ﷺ.’ Nadat hij knikte in de richting van de Heilige Profeet ﷺ, zei hij: ‘Dat is hij.’ Mafruq zei: ‘Wij hebben het nieuws ontvangen.’ Daarna richtte hij zijn aandacht op de Boodschapper van Allah ﷺ en vroeg hij: ‘O mijn broeder van de Quraysh, tot welk ding nodig je uit?’ Hierop kwam de Boodschapper van Allah ﷺ naar voren en ging daar zitten, terwijl Abu Bakr bleef staan en hem met een stuk doek afschermde. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Ik roep jullie op om te getuigen dat niemand het waard is om aanbeden te worden behalve Allah. Ik ben de Boodschapper van Allah ﷺ; en dat jullie mij onderdak bieden en beschermen; en mij helpen totdat ik de plicht vervul die door Allah aan mij is opgelegd. De Quraysh hebben de geboden van Allah openlijk geschonden, Zijn Boodschapper ﷺ weerlegd, en hebben zich tevreden gesteld met de onwaarheid in plaats van de waarheid. En Allah is de Enige, de Zelfvoorzienende, de Lofwaardige.’ Hij vroeg verder: ‘Wat predik je nogmaals, o mijn broeder van de Quraysh!’ Daarna reciteerde de Boodschapper van Allah ﷺ de volgende verzen:
I think you belong to Quraysh.’ Then Abu Bakr said, ‘I think you would have been informed about the Messenger of Allah (saw)’ After nodding towards the Holy Prophet, he said, ‘That’s he.’ Mafruq said, ‘We have received the news.’ Then he turned his attention towards the Messenger of Allah (saw) and asked, O my Quraysh brother. Towards which thing do you invite?’ On this the Messenger of Allah (saw) came forward and sat down over there while Abu Bakr remained standing shadowing over him with a piece of cloth. The Messenger of Allah (saw) said, ‘I call you to bear witness that none is worthy of worship besides Allah. I am the Messenger of Allah; and that you shelter and protect me; and help me until I discharge the duty placed upon me by Allah. The Quraish have openly violated Allahs’ commands, refuted his Messenger, and have contented with the falsehood instead of the truth. And Allah is the One, who is the Self-sufficient, the Praiseworthy.’ He further asked, ‘What do you preach again? O my Quraish brother!’ Then the Messenger of Allah recited the following verses:
“Zeg: ‘Kom, ik zal u laten zien wat Allah u (werkelijk) heeft verboden’: stel niets aan Hem gelijk... Zo gebiedt Hij u, opdat u rechtvaardig zult zijn.” (TMQ al-An’am, verzen 151-153)
“ Say: ‘Come, I will rehearse what Allah hath (really) prohibited you from’: join not anything as equal with him… Thus doth he command you that ye may be righteous.” (TMQ al-An’am, verses 151-153)
Mafruq vroeg opnieuw: ‘Vertel me meer over uw prediking, o mijn broeder van de Quraish! Bij Allah, deze redevoering is niet van iemand die de aarde bewoont. Als het de hunne was, zouden wij hen herkennen.’ Hierop reciteerde de Boodschapper van Allah ﷺ de volgende vers,
Mafruq again enquired, ‘Tell me something more about your preaching, O my Quraish brother! By Allah this speech is not of anyone who inhabits the earth. If it were theirs, we should recognise them’. On this the Messenger of Allah (saw) recited the following verse,
“Allah gebiedt rechtvaardigheid en het doen van het goede. En het geven aan de verwanten. En Hij verbiedt onzedelijkheid, kwaad (Munkar) en rebellie. Hij spoort jullie aan, opdat jullie acht geven.” (TMQ al-Nahl, vers 90)
‘Allah commands justice and the doing of good. And giving help to kith and kin. And forbids evil deeds, Munkar and rebellious actions. He admonishes you so that you may take heed.” (TMQ al-Nahl, verse 90)
Mafruq zei: ‘O Quraishi! Bij Allah, je hebt uitgenodigd naar hoge waarden en de beste van de daden. Die natie heeft de Waarheid opzettelijk geschonden, zij die jou weerlegden en tegen jou in opstand kwamen.’ Vervolgens sprak Mafruq op een zodanige wijze alsof hij wilde dat Hani bin Qabisah ook deelnam aan de discussie, en zei: “Hij is onze leider, Hani ibn Qabisah. Hij is onze religieuze leider.” Na het horen hiervan zei Hani: ‘O Quraishi broeder! Ik heb uw toespraak gehoord en getuigde ervan. Onze beslissing kan gebrekkig zijn als wij besluiten onze religie op te geven en u te volgen in deze eerste ontmoeting. U weet dat wij elkaar noch voorheen hebben ontmoet, noch hopen elkaar weer te ontmoeten in de (nabije) toekomst. Geef ons daarom een kans om over uw missie na te denken, anders is het mogelijk dat wij een verkeerde beslissing nemen. Laat ons hier serieus over nadenken, want haastigheid kan een oorzaak zijn van dwaling.’
Mafruq said: ‘Oh Quraishi! By Allah, you have invited towards high values and best of the deeds. That nation has intentionally violated the Truth, who refuted you and revolted against you.’ Then Mafruq talked in such a way as though he wanted Hani bin Qabisah as well to take part in the discussion, and said, “ He is our leader, Hani ibn Qabisah. He is our religious leader. Hearing that Hani said, ‘O Quraish brother! I heard your speech and testified it. Our decision may be defective if we decide to give up our religion and follow you in this first meeting. You know that we have neither met before this, nor we hope to meet again in (the near) future. Therefore, give us a chance to think over your mission, otherwise it is possible that we would take a wrong decision. Let us have a serious thought over this because hurriedness may be a cause to err.
‘Er is een natie met ons. Het is ongepast voor ons om in een dergelijk geval een beslissing te nemen zonder hun vertrouwen te hebben. Ga jij nu maar terug, denk erover na en laat ons hier ook over nadenken.’ Hij (d.w.z. Qabisah) nam ook een houding aan alsof hij wilde dat Muthanna ibn Haritha ook deelnam aan de discussie. Vervolgens stelde hij hem voor door te zeggen: ‘’Hij is Muthanna, onze leider en bevelhebber op het slagveld.’’ Muthanna zei: ‘O mijn broeder van de Quraish! Ik heb ook uw toespraak gehoord en bewonderde uw woorden. Ik was nogal verbaasd over uw leerstellingen. Het antwoord van mijn kant is vergelijkbaar met het antwoord dat door Hani ibn Qabisah is gegeven. Wij leven in een plek die aan twee zijden wordt omringd door twee valleien, waarvan de ene Yamamah is en de andere Samawah.’
We have a nation with us. It is improper for us to take a decision in such a case without having their confidence. You, please go back now, think over it and let us have a thought over this as well.’ He (ie. Qabisah) also adopted such a way as though he wanted Muthanna ibn Haritha as well to take part in the discussion. Then he introduced him by saying, ‘’he is Muthanna, our leader and commander in the battlefield.’ Muthanna said, ‘ O my Quraish brother! I also heard your speech and admired your talks. I was rather amazed with your teachings. The answer from my side is similar to the one given by Hani ibn Qabisah. We live in such a place which is surrounded by two valleys on its two sides, one of that is Yamamah and the other Samawah’.
De Boodschapper van Allah ﷺ vroeg: ‘Wat bedoel je met deze twee valleien?’ Hij antwoordde: ‘De ene is de woestijn van Arabië en de onvruchtbare heuvels; terwijl de andere het land van Perzië is met de kanalen van Kisra (Chosroes). Wij hebben een verdrag met Kisra (de Perzische keizer) waardoor wij daar verblijven. Volgens het verdrag zijn wij niet gemachtigd om een nieuwe beweging te ontketenen of asiel te verlenen aan een persoon die een nieuwe beweging initieert. Het is mogelijk dat uw missie niet gewenst zal zijn door de Keizer (van Perzië). Een overtreder wordt in Arabië soms vergeven en zijn excuus wordt erkend, maar dit is niet het geval bij de Perzen. Een overtreder wordt daar niet vergeven en zijn excuus wordt niet geaccepteerd. Als u onze hulp [en bescherming] in Arabië nodig heeft, staan wij daarvoor klaar.’ De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Ik denk dat u geen enkele terughoudendheid toont in uw antwoord aan mij, mits u oprecht bent in uw verklaring. Alleen die persoon steunt de religie van Allah, die van alle kanten beschermd is.’ Daarna stond de Boodschapper van Allah ﷺ op, terwijl hij de hand van Abu Bakr (ra) vasthield.
The Messenger of Allah (saw) asked, ‘What do you mean by these two valleys?’ He replied, ‘One of them is the desert of Arabia and the barren hills; while the other is the land of Persia having the canals of Kisra (Chosroes). We have a treaty with Kisra (the Persian Emperor) due to which we are staying there. According to the treaty we are not authorised to raise any new movement or give asylum to such a person who initiates a new movement. It is possible that your mission might be disliked by the Emperor (of Persia). An offender is sometimes pardoned and his excuse is acknowledged in Arabia but this is not the case of the Persians. An offender is not pardoned there and his excuse is not accepted. If you need our help [and shelter] in the Arabia, we are ready for that.’ The Messenger of Allah (saw) said, ‘I think you do not show any reservation in replying me, provided you are true in your statement. Only that person supports Allah’s religion, who is protected from all sides.’ Then the Messenger of Allah (saw) holding the hand of Abu Bakr (ra) got up from there.
(Overgeleverd door Abu Na’im in “Dala’il-al-Nubuwah”, p.96. Het is gerapporteerd door Ibn Katheer in “Al-Bidayah” Vol 3 pagina 142: Overgeleverd door Abu Na’im; in de Saheeh van imam al Hakim; en ook de Sunan Baihaqi. De overlevering hier is die van Abu Na’im)
(Transmitted by Abu Na’im in “Dala’il-al-Nubuwah”, p.96. It has been related by Ibn Katheer “Al-Bidayah” Vol 3 page 142: Transmitted by Abu Na’im; In the Saheeh of Imam al Hakim; and and also the Sunan Baihaqi. The narration here is Abu Na’ims)
Er is overgeleverd dat de Profeet ﷺ volhield en naar meer dan 40 stammen ging om Nussrah te zoeken voordat hij succesvol was bij de mensen van Madinah. Deze herhaling, consistentie en het feit dat de Profeet ﷺ geen enkele voorwaarde accepteerde, zoals die gepresenteerd werden door Ban ‘Aamer en Banu Sheeban, ondanks het feit dat dit verbonden was aan de verplichting om de autoriteit voor de Islam te vestigen — wat door de Profeet ﷺ was gedefinieerd als een kwestie van leven of dood — duiden op de sharia-regel van het zoeken naar fysieke steun (Nussrah). Ook geeft dit aan dat het een integraal onderdeel is van de methode om de Islamitische Staat te vestigen.
It has been narrated that the Prophet (saw) persisted and went to over 40 tribes in order to seek the Nussrah before he succeeded with the people of Madinah. This repetition, consistency and the Prophet’s (saw) non-acceptance of any conditions such as those presented by Ban ‘Aamer and Banu Sheeban, despite the fact that it was connected to the obligation of establishing the authority for Islam, which had been defined by the Prophet (saw) as a life and death issue, indicate the Shari’ah rule of seeking the physical support (Nussrah). Also, this indicates that it is an integral part of the method to establish the Islamic State.
De Nussrah uit Madinah
The Nussrah from Madinah
De stammen van de Aws en de Khazraj, die de machthebbers van Madinah waren, gaven uiteindelijk de steun (Nussrah) aan de Profeet ﷺ en werden daardoor bekend als de helpers (Ansar). Ibn Hisham vertelt dat de Profeet ﷺ de leiders van de Aws en de Khazraj ontmoette bij al-’Aqabah voor de hadj en de eed van hen aannam. Deze eed staat bekend als de Bay’atul-Harb (De Eed van de Oorlog). Voordat zij de eed aflegden, vertelt at-Tabari (Vol. 6 Par 1220) dat al-’Abbas de eerste was die sprak tijdens de onderhandelingen. Al-Bara’ van de helpers (Ansar) vertelt dat al-’Abbas tot de helpers (Ansar) sprak en zei: “O mensen van Khazraj (wat volgens de Arabische gewoonte zowel de Aws als de Khazraj betekent) … als jullie denken dat jullie de beloften die jullie hebben gedaan kunnen nakomen en hem (de Boodschapper ﷺ) kunnen verdedigen tegen zijn vijanden, neem dan de verantwoordelijkheid op je die jullie op je hebben genomen. Als jullie hem gaan verlaten en hem gaan overleveren nadat hij naar jullie is gekomen, laat hem dan nu met rust, want hij wordt geëerd door zijn volk en is veilig in zijn land.” Wij zeiden tegen hem: we hebben gehoord wat u heeft gezegd. Spreek nu, Boodschapper van Allah, en kies wat u voor uzelf en uw Heer wenst. Toen sprak de Boodschapper van Allah ﷺ tot ons en reciteerde hij uit de Qur’an, wat ons begeerig maakte naar de Islam. Toen zei hij ﷺ: “Ik zal een verbond van trouw met jullie aangaan, mits jullie mij beschermen zoals jullie jullie vrouwen en kinderen beschermen.” Toen nam al-Bara’ zijn hand aan en verklaarde: “Bij Allah, wij zullen u beschermen zoals wij onze vrouwen zouden beschermen. Leg ons de eed van trouw af, o Boodschapper van Allah, want wij zijn mannen van de oorlog en mannen van maliënkolders. Wij hebben dit van generatie op generatie geërfd.” De Profeet ﷺ gaf de eed: “Ik zal oorlog voeren tegen wie jullie oorlog voeren, en vrede sluiten met wie jullie vrede sluiten; mijn bloed is jullie bloed en mijn pact is jullie pact” (Ibn Hisham). At-Tabari vermeldt vervolgens dat de Profeet ﷺ hen vroeg: “Breng van onder jullie twaalf stamhoofden voort.” Later, nadat de eed was afgelegd, vroegen de Quraysh aan de Aws en Khazraj of een dergelijk pact had plaatsgevonden. De afgodendienaars (Mushrikoon) van de stam die niet aanwezig waren, verklaarden dat zij van geen dergelijk akkoord afwisten. In feite, toen de Profeet ﷺ naar Madinah migreerde, deed hij dit in het geheim.
The tribes of the Aws and the Khazraj, who were the power brokers of Madinah, finally gave the support (Nussrah) to the Prophet (saw) and thus came to be known as the Ansar (helpers). Ibn Hisham narrates that the Prophet (saw) met with the leaders of the Aws and the Khazraj at al-’Aqabah before the Hajj and took the pledge from them. This pledge is known as the Bay’atul-Harb (The Pledge of War). Before they took the pledge at-Tabari (Vol. 6 Par 1220) narrates that al-’Abbas was the first to speak in the negotiations. Al-Bara’ of the Ansar narrates that al-’Abbas addressed the Ansar saying, “O people of Khazraj (meaning Aws and Khazraj in Arab custom) …if you think that you can fulfil your promises which you made and defend him (meaning the Messenger (saw)) against his enemies, then assume the responsibility which you have taken upon yourselves. If you are going to abandon him and hand him over after he has come to you, then leave him now, for he is honoured by his people and safe in his land’. We said to him we have heard what you have said. Speak now Messenger of Allah and choose what you want for yourself and your Lord. Then the Messenger of Allah (saw) spoke to us and recited of the Qur’an which made us desirous of Islam. Then he(saw) said ‘I will enter into a contract of allegiance with you, provided that you protect me like you protect your women and children’. Then al-Bara’ took his hand and stated. ‘By Allah we will protect you like we would our womenfolk. Administer the oath of allegiance to us, O Messenger of Allah, for we are men of war and men of coats of mail. We have inherited this from generation to generation’. The Prophet (saw) gave the pledge ‘I will wage war against whom you wage war against and declare peace with whom you declare peace, my blood is your blood and my pact is your pact’ (Ibn Hisham)). At-Tabari then mentions that the Prophet (saw) asked them ‘Bring forth from amongst yourselves twelve chiefs’. Later on, after the pledge was given the Quraysh asked the Aws and Khazraj if such a pact had taken place. The Mushrikoon from the tribe who weren’t present stated that they knew of no such agreement. In fact, when the Prophet (saw) migrated to Madinah he did so in secret.