1.1 De omstandigheden rondom het schrijven van de Sahifah (document) van Al-Madinah
1.1 The circumstances surrounding the writing of the Sahifah (document) of Al-Madinah
Het behoort tot de vastgestelde zaken dat de Profeet ﷺ een constitutioneel document had opgesteld en dat hij dit hanteerde voor de regulering van enkele relaties in Madinah, de hoofdstad van de nieuw ontstane Islamitische Staat. Het volgende is overgeleverd met de meest authentieke overleveringsketens in de “Sunan van Abu Dawud” (3/154/3000) en in een andere gedrukte versie van zijn “Sunan” (3/114/3002):
It is from the established matters that the Prophet (peace be upon him) had a constitutional document written down and that he adopted it for the regulation of some of the relationships in Madinah, the capital of the newly arising Islamic State. The following has been narrated with the most authentic of chains of transmission in the “Sunan of Abu Dawud” (3/154/3000) and in another printed version of his “Sunan” (3/114/3002):
Az-Zuhri rapporteerde van Abdur Rahman bin Abdullah bin Ka’b bin Malik, van zijn vader, die een van de drie was van wie de berouw was aanvaard (namelijk Ka’b bin Malik):
Az-Zuhriy related from Abdur Rahman bin Abdullah bin Ka’b bin Malik from his father who was one of the three whose repentance had been accepted (i.e. Ka’b bin Malik):


“Ka’b bin Al-Ashraf bespotte de Profeet ﷺ en stookte de ongelovigen van de Quraish op tegen hem. Toen de Profeet ﷺ naar Madinah kwam, was de bevolking daar een gemengde groep; sommigen van hen waren moslims en anderen waren polytheïsten die afgoden aanbaden, terwijl sommigen Joden waren. Zij probeerden de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen schade of misbruik toe te brengen. Toen beval Allah, de Allerhoogste, Zijn Profeet om geduld te tonen en over het hoofd te zien. Allah openbaarde in hun aangezicht .
“Ka’b bin Al-Ashraf used to mock the Prophet (ﷺ) and incited the disbelievers of the Quraish against him. When the Prophet (ﷺ) came to Madinah, its people were a mixed blend; some of them were Muslims and others were polytheists who worshipped idols whilst some were Jews. They used to seek to bring harm/abuse to the Prophet (ﷺ) and his Companions. Then Allah, the Most High, commanded His Prophet to show patience and to overlook. Allah revealed in respect to them .
“Jullie zullen zeker worden beproefd in jullie bezittingen en in jullie zelf. En jullie zullen zeker veel beledigingen horen van degenen aan wie de Schrift voor jullie is gegeven en van degenen die anderen met Allah gelijkstellen. Maar als jullie geduldig zijn en Allah vrezen – dat is inderdaad van de zaken die vastberadenheid vereisen” (TMQ 3:186).
“You will surely be tested in your possessions and in yourselves. And you will surely hear from those who were given the Scripture before you and from those who associate others with Allah much abuse. But if you are patient and fear Allah - indeed, that is of the matters [worthy] of determination” (TMQ 3:186). .
Toen Ka’b bin Al Ashraf weigerde te stoppen met het kwetsen van de Profeet ﷺ, beval de Profeet ﷺ Sa’d bin Mu’adh om een kleine groep te sturen om hem te doden. Hij stuurde Muhammad bin Maslamah. Hij vertelde vervolgens het verhaal van zijn dood.
When Ka’b bin Al Ashraf refused to desist from hurting the Prophet (ﷺ) the Prophet(ﷺ) ordered Sa’d bin Mu’adh to send a small group to kill him. He sent Muhammad bin Maslamah. He then mentioned the story of his killing. .
Toen zij hem doodden, raakten de Joden en de polytheïsten in grote paniek. De volgende dag kwamen zij naar de Profeet ﷺ en zeiden: “Onze metgezel werd 's nachts aangevallen en gedood.” De Profeet ﷺ informeerde hen vervolgens over datgene wat hij had gezegd. De Profeet ﷺ riep hen vervolgens bij elkaar, zodat hij een overeenkomst kon opstellen tussen hem en hen, waar zij naar konden verwijzen (bij kwesties). En zo schreef hij een document (Sahifah) van overeenkomst tussen hem, hen (de niet-moslims) en de moslims in het algemeen.” Het volgende werd ook overgeleverd via Abu Dawud in “Dalaa’il An-Nubuwwah” van Al-Baihaqi (3/198):

“Ka’b bin Al-Ashraf bespotte de Profeet ﷺ ... Hij ging vervolgens verder met het vermelden ervan (d.w.z. de overlevering). En de overlevering (Hadith) van Abdul-Kareem is vollediger ...”. We zullen later terugkomen op de overlevering (Hadith) van Abdul-Kareem.
“Ka’b bin Al-Ashraf used to mock the Prophet (ﷺ) … He then went on to mention it (i.e. the narration). And the Hadith of Abdul-Kareem is more complete …”. We will come to the Hadith of Abdul-Kareem later. .
Al-Albani zei: De overleveringsketen (Isnad) is Sahih. Ik zeg: Ja (dat is correct) en wat er is vermeld met betrekking tot de aanwezigheid van instabiliteit (Idtiraab) in de overleveringsketen (Isnad) heeft daar geen negatieve invloed op.
Al-Albani said: The Isnad (Chain of narration) is Sahih. I say: Yes (that is correct) and what has been mentioned in terms of the existence of instability (Idtiraab) in the Isnad does not negatively impact that. .
Dat komt omdat:
That is because:
1) Of het werd overgeleverd door Abdur Rahman Bin Abdullah Bin Ka’b Bin Malik van zijn vader Abdullah Bin Ka’b Bin Malik, die Ka’b Bin Malik begeleidde nadat hij blind werd, die overleverde van zijn vader, de Sahaabiy Ka’b Bin Malik, een van de drie wiens berouw werd aanvaard, zoals is vastgelegd in talrijke overleveringen (Hadith) van Al-Bukhaari en Muslim. En dus is de overlevering (Hadith) Sahih (authentiek) volgens hun voorwaarden.
1) Either it was related by Abdur Rahman Bin Abdullah Bin Ka’b Bin Malik from his father Abdullah Bin Ka’b Bin Malik, who use to guide Ka’b Bin Malik after he became blind, who related from his father, the Sahaabiy Ka’b Bin Malik, one of the three whose repentance was accepted, as has been recorded in numerous Ahaadeeth of Al- Bukhaari and Muslim. And so, the Hadith is Sahih (authentic) upon their conditionality. .
2) Of, het werd overgeleverd door Abdur Rahman Bin Abdullah Bin Ka’b Bin Malik van zijn grootvader (rechtstreeks), de Sahaabiy Ka’b Bin Malik. Dat is omdat Abdur Rahman zijn grootvader soms begeleidde namens zijn vader Abdullah. Ook noemden de Arabieren hun grootvaders vaak hun vader. (Bovendien is de grootvader, zoals in de Qur’an vermeld, ook een vader. Net zoals het een taalkundige noodzaak vertegenwoordigt die gebaseerd is op zintuiglijke en rationele noodzaak). Het is inderdaad een voortdurende en constante gewoonte. Daarom betekent de uitspraak in de keten van overlevering “van zijn vader” dat het van zijn grootvader is. 3) Of het werd overgeleverd door Abdur Rahman Bin Ka’b Bin Malik van zijn vader, de Sahaabiy Ka’b bin Malik, en niet van Abdur Rahman Bin Abdullah Bin Ka’b Bin Malik. Az-Zuhriy hoorde (d.w.z. nam de overleveringen over) zowel van Abdur Rahman Bin Abdullah Bin Ka’b Bin Malik als van zijn naamgenoot en zijn pachternoon Abdur Rahman Bin Ka’b Bin Malik. De inconsistentie komt alleen van Az-Zuhriy, aangezien hij vanuit zijn geheugen overleverde en dit bij de ene gelegenheid herinnerde en dat bij een andere gelegenheid, vanwege de nabijheid van de stambomen en namen, terwijl hij soms de voorkeur gaf aan voorzichtigheid en Mursal overleverde (met een onderbroken keten van overleveraars).



“Dat de Jood Ka’b bin Al-Ashraf een dichter was en hij de Boodschapper van Allah ﷺ bespotte en de ongelovigen van Quraish tegen hem opzweepte in zijn poëzie. De Boodschapper van Allah ﷺ kwam naar Madinah en de mensen daar waren een gemengde mix, bestaande uit de moslims die verenigd waren door de oproep tot de islam (Da’wah) van de Boodschapper van Allah ﷺ, de Mushrikeen (polytheïsten) die afgoden aanbaden en de Joden die een volk van wapens en vestingen waren en bondgenoten waren van de inwoners (van Yathrib); de Aws en de Khazraj. Toen de Boodschapper van Allah ﷺ in Al-Madinah arriveerde, wilde hij de situatie van hen allen verbeteren. Een man zou een moslim zijn en zijn vader een Mushrik (afgodendienaar), en een man zou moslim zijn en zijn broer een Mushrik. Toen de Boodschapper ﷺ naar Al-Madinah kwam, probeerden de polytheïsten en Joden grote schade/misbruik toe te brengen aan de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen. Allah, de Allerhoogste, beval Zijn Boodschapper en de moslims om daar geduldig in vol te houden en hen te negeren. Allah, geprezen zij Zijn lof, openbaarde met betrekking tot hen: “Jullie zult zeker beproefd worden in jullie bezittingen en in jullie zelf. En jullie zult zeker veel beledigingen horen van degenen aan wie de Schrift voor jullie is gegeven en van degenen die met Allah anderen gelijkstellen. Maar als jullie geduldig zijn en (God) vrezen – dat is inderdaad van de zaken die vastberadenheid vereisen” (TMQ 3:186).
“That the Jew Ka’b bin Al-Ashraf was a poet and he use to mock the Messenger of Allah (peace be upon him) and incite the disbelievers of Quraish against him in his poetry. The Messenger of Allah (peace be upon him) came to Madinah and its people were a blended mix, consisting of the Muslims who were unified by the Da’wah (call) of the Messenger of Allah (peace be upon him), the Mushrikeen (polytheists) who worshiped idols and the Jews who were people of weaponry and fortresses and were allies of the inhabitants (of Yathrib); the Aws and the Khazraj. When the Messenger of Allah (peace be upon him) arrived in Al-Madinah, he wanted to remedy the situation of them all. A man would be a Muslim and his father a Mushrik (polytheist), and a man would be Muslim and his brother a Mushrik. When the Messenger (peace be upon him) came to Al- Madinah, the polytheists and Jews used to seek to bring great harm/abuse to the Messenger of Allah (peace be upon him) and his companions. Allah, the Most High, commanded his Messenger and the Muslims to persevere patiently upon that and overlook them. Allah, glorified be His praise, revealed in respect to them: “You will surely be tested in your possessions and in yourselves. And you will surely hear from those who were given the Scripture before you and from those who associate others with Allah much abuse. But if you are patient and fear Allah - indeed, that is of the matters [worthy] of determination” (TMQ 3:186). .


“Dat de Jood Ka’b bin Al-Ashraf een dichter was en hij de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen bespotte en de ongelovigen van Quraish tegen hen opzweepte in zijn poëzie. De Boodschapper van Allah ﷺ kwam naar Madinah en de mensen daar waren een mengeling; bestaande uit de moslims die verenigd waren door de oproep tot de islam (Da’wah) van de Boodschapper van Allah ﷺ, de Mushrikeen (polytheïsten) die afgoden aanbaden en de Joden, inclusief degenen onder hen die mensen van wapens en vestingen waren en zij waren de bondgenoten van de inwoners (van Yathrib); de Aws en de Khazraj. Toen de Boodschapper van Allah ﷺ in Al-Madinah arriveerde, wilde hij de situatie van hen allen verbeteren en een verdrag met hen sluiten. Een man zou een moslim zijn en zijn vader een Mushrik (afgodendienaar), en een man zou moslim zijn en zijn broer een Mushrik. Toen de Boodschapper ﷺ naar Al-Madinah kwam, brachten de polytheïsten en Joden grote schade/misbruik toe aan de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen. Allah, de Allerhoogste, beval Zijn Profeet ﷺ en de moslims om daar geduldig in vol te houden en hen te negeren. Allah, de Allerhoogste, openbaarde met betrekking tot hen: “Jullie zult zeker worden beproefd in jullie bezittingen en in jullie zelf. En jullie zult zeker veel beledigingen horen van degenen aan wie de Schrift voor jullie is gegeven en van degenen die met Allah anderen gelijkstellen. Maar als jullie geduldig zijn en (God) vrezen – dat is werkelijk van de zaken die vastberadenheid vereisen” (TMQ 3:186). En Allah openbaarde ook met betrekking tot hen: “Velen van de mensen van de Schrift wensen dat zij jullie tot ongeloof zouden terugkeren nadat jullie hebt geloofd, uit afgunst van henzelf, zelfs nadat de waarheid hen duidelijk is geworden. Dus vergeef en negeer hen totdat Allah Zijn bevel uitvoert. Voorwaar, Allah is machtig over alle zaken” (TMQ 2:109).
“That the Jew Ka’b bin Al-Ashraf was a poet and he use to mock the Messenger of Allah (peace be upon him) and his companions and incite the disbelievers of Quraish against them in his poetry. The Messenger of Allah (peace be upon him) came to Madinah and its people were a mix; consisting of the Muslims who were unified by the Da’wah (call) of the Messenger of Allah (peace be upon him), the Mushrikeen (polytheists) who worshiped idols and the Jews including those from them who were people of weaponry and fortresses and they were the allies of the inhabitants (of Yathrib); the Aws and the Khazraj. When the Messenger of Allah (peace be upon him) arrived in Al-Madinah he wanted to remedy the situation of them all and make a treaty with them. A man would be a Muslim and his father a Mushrik (polytheist) and a man would be Muslim and his brother a Mushrik. When the Messenger (peace be upon him) came to Al-Madinah, the polytheists and Jews would bring great harm/abuse to the Messenger of Allah (peace be upon him) and his companions. Allah, the Most High, commanded his Prophet (peace be upon him) and the Muslims to persevere patiently upon that and overlook them. Allah, the Most High, revealed in respect to them: “You will surely be tested in your possessions and in yourselves. And you will surely hear from those who were given the Scripture before you and from those who associate others with Allah much abuse. But if you are patient and fear Allah - indeed, that is of the matters [worthy] of determination” (TMQ 3:186). And Allah also revealed in respect to them: “Many of the People of the Scripture wish they could turn you back to disbelief after you have believed, out of envy from themselves [even] after the truth has become clear to them. So pardon and overlook until Allah delivers His command. Verily, Allah is capable over all matters” (TMQ 2:109). .

“Dat de Jood Ka’b bin Al-Ashraf een dichter was en hij de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen bespotte en hen opruide, terwijl hij zei: ‘Wie staat er voor Ka’b?’. Toen hij weigerde te stoppen met het schaden van de Boodschapper van Allah ﷺ en het schaden van de moslims, beval de Boodschapper van Allah ﷺ Sa’d Ibn Mu’adh, Muhammad bin Maslamah en Abu ‘Eisaa bin Al-Harith, de neef van Sa’d bin Mu’adh, als onderdeel van een groep van vijf. Zij naderden toen Ka’b … En hij vermeldde hetzelfde (d.w.z. hetzelfde als de vorige overlevering)”.
“That the Jew Ka’b bin Al-Ashraf was a poet and he use to mock the Messenger of Allah (peace be upon him) and his companions and incite against them, saying “Who if for Ka’b?” Then, when he refused to refrain from harming the Messenger of Allah (peace be upon him) and harming the Muslims, the Messenger of Allah (peace be upon him) commanded Sa’d Ibn Mu’adh, Muhammad bin Maslamah, Abu ‘Eisaa bin Al-Harith the nephew of Sa’d bin Mu’adh, as part of a group of five. They then approached Ka’b … And he mentioned the same (i.e. as the previous narration)”. .
Het verhaal van Ka’b bin Al-Ashraf werd in detail verslagen in de Seera van Ibn Hisham (2/51).
The story of Ka’b bin Al-Ashraf was reported in detail within the Seera of Ibn Hisham (2/51).
Ibn Ishaq zei (uit de overlevering (Hadith) over Ka’b bin Al-Ashraf):
Ibn Ishaq said (from the Hadith about Ka’b bin Al-Ashraf):


“Toen de mensen van Badr (Quraish) werden getroffen, ging Zaid bin Harithah naar de mensen van As-Safilah en Abdullah bin Rawaahah ging naar de mensen van Al-‘Aaliyah als brengers van goed nieuws, uitgezonden door de Boodschapper van Allah ﷺ naar de moslims van Al-Madinah, om het nieuws te brengen over de overwinning die Allah, ‘Azza Wa Jalla, aan hem had geschonken en over wie van de polytheïsten was gedood … Ka’b bin Al-Ashraf, die een man was van de Tayyi-stam, een van Bani Nabhan en wiens moeder van Bani Nadeer was, zei bij het horen van het nieuws: “Is dit waar? Geloven jullie dat Muhammad die mannen heeft gedood die deze twee (Zaid en Abdullah Ibn Rawaahah) hebben genoemd? Dat komt omdat zij behoorden tot de edelen van de Arabieren en de koningen van de mensen. Bij Allah, als Muhammad deze mensen had gedood, dan is de buik van de aarde beter dan haar oppervlakte!” Toen de vijand van Allah de waarheid van het nieuws vaststelde, vertrok hij totdat hij Makkah bereikte. Hij verbleef in de woning van Al-Muttalib bin Abi Wada’ah bin Dubairah As-Sahmiy, die getrouwd was met Atikah, de dochter van Abu l-‘Ieas bin Umayyah bn Abdi Shams bin Abdi Manaf. Zij ontving hem en eerde hem met gastvrijheid. Hij begon toen de mensen op te hitsen tegen de Boodschapper van Allah ﷺ, door het voordragen van poëzie en het huilen om de mensen van de put van Quraish die bij Badr waren gedood. Hij zei:
“When the people of Badr (Quraish) were afflicted, Zaid bin Harithah went to the people of As-Safilah and Abdullah bin Rawaahah went to the people of Al-‘Aaliyah as bearers of glad tidings dispatched by the Messenger of Allah (peace be upon him) to the Muslims of Al- Madinah to give the news of the victory Allah, ‘Azza Wa Jalla, had bestowed upon him and about who from among the polytheists had been killed … Ka’b bin Al-Ashraf, who was a man from the Tayyi tribe, one of Bani Nabhan and whose mother was from Bani Nadeer, said upon hearing the news: “Is this true? Do you believe that Muhammad those men whom these two (Zaid and Abdullah Ibn Rawaahah) have named? That is because those were from the nobles of the Arabs and the kings of the people. By Allah, if Muhammad had killed these people, the belly of the earth is better than its surface!” Then, when the enemy of Allah ascertained the truth of the news, he departed until he reached Makkah. He set down at the residence of Al-Muttalib bin Abi Wada’ah bin Dubairah As-Sahmiy who was married to Atikah the daughter of Abu l-‘Ieas bin Umayyah bn Abdi Shams bin Abdi Manaf. She received him and honoured him with hospitality. He then began to incite the people against the Messenger of Allah (peace be upon him), reciting poetry and weeping over the people of the well from Quraish who had been killed at Badr. He said:
De molen van Badr maalde het bloed van haar mensen.
Badr’s mill churned out the blood of its people.


Sufyan rapporteert van ‘Amr bin Dinar, die Jabir bin ‘Abdullah, moge Allah tevreden met hem zijn, hoorde zeggen dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie zal Ka’b bin Al-Ashraf aanpakken (elimineren), want hij heeft Allah en Zijn Boodschapper ﷺ beledigd?” Muhammad bin Maslamah vroeg: “Zou u willen dat ik hem dood, o Boodschapper van Allah ﷺ?”. Hij ﷺ antwoordde: “Ja”. Hij zei: “Ik zal hem aanpakken, o Boodschapper van Allah ﷺ, dus sta mij toe om (misleidende) woorden te gebruiken”. Hij ﷺ antwoordde: “Je kunt dergelijke woorden gebruiken”. Muhammad bin Maslamah ging toen naar hem (Ka’b) en zei: “Deze man (d.w.z. de Profeet ﷺ) heeft ons getroffen met zakat (d.w.z. het van ons nemen). Dit heeft ons lijden gebracht en we zijn hier moe van.” Toen de ellendige man dit hoorde, zei hij: “Bij Allah, je zult door hem nog meer in de problemen worden gebracht of nog meer moe van hem worden. Ik wist dat uw zaak zo zou uitdraaien.” Hij (Ibn Maslamah) zei: “Inderdaad, we kunnen hem niet opgeven totdat we zien wat hij doet, en we willen hem niet verlaten nadat we hem hebben gevolgd totdat we zien hoe zijn zaak zal uitdraaien. Ik ben nu gekomen zodat u mij dadels wilt lenen.” Hij zei: “Ja, dat zal ik doen op de voorwaarde dat je je vrouwen aan mij verpandt als zekerheid (voor de lening).” Hij zei: “Verpanden wij onze vrouwen aan u terwijl u de knapste van de Arabieren bent?” Hij antwoordde: “Verpand dan je zonen aan mij als zekerheid.” Hij (Ibn Maslamah) zei: “De mensen zullen onze zonen dan kleineren op basis van het feit dat we hen hebben verpand voor slechts een Wasq of twee Wasqs aan dadels (Of misschien zei hij: “Dan zal een van onze zonen worden beledigd en er zal worden gezegd dat hij is verpand voor een Wasq of twee Wasqs aan dadels”). Hij (Ka’b) vroeg: “Wat zul je mij dan als zekerheid verpanden?” Hij antwoordde: “We kunnen wapens aan u verpanden.” Hij zei: “Vooruit dan.” Vervolgens sprak Muhammad bin Maslamah een afgesproken tijd af om later bij hem langs te komen.
Sufyan related from ‘Amr bin Dinar who heard Jabir bin ‘Abdullah, may Allah be pleased with him, saying, that the Messenger of Allah (peace be upon him) said: “Who will deal with (eliminate) Ka’b bin Al- Ashraf for verily he has insulted Allah and His Messenger?” Muhammad bin Maslamah asked: “Would you like that I kill him O Messenger of Allah?”. He (peace be upon him) replied: “Yes”. He said: “I will deal with him O Messenger of Allah, so permit me to use (deceptive) speech”. He (peace be upon him) replied: “You can employ such speech”. Muhammad bin Maslamah then went to him (Ka’b) and said: “This man (i.e. the Prophet (peace be upon him)) has afflicted us with charity (i.e. taking it from us). This caused us suffering and we are tired of this. When the wretched man heard this, he said: “By Allah, you will be put to more trouble by him or get more tired of him. I knew that your affair would turn out like this”. He (Ibn Maslamah) said: “Indeed, we cannot give him up until we see what he does, and we hate to abandon him after having followed him until we see how his affair will turn out. I have come now for you to loan me dates”. He said: “Yes I will do that upon the condition that you pledge me your women as a security (for the loan)”. He said: “Do we pledge our women to you whilst you are the most handsome of the Arabs?” He replied: “Then pledge me your sons as a security”. He (ibn Maslamah) said: “The people will then disparage our sons upon the basis that we pledged them for a mere Wasq or two Wasqs of dates (Or perhaps he said: “Then one of our sons will be insulted and it will be said that he was mortgaged for a Wasq or two of dates). He (Ka’b) asked: “What will you mortgage to me as a security then”. He answered: “We can pledge you weapons”. He said: “All right”. Then Muhammad b. Maslamah agreed an appointed time to come to see him later. .


De Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie is bereid om Ka’b bin Al-Ashraf te doden, die Allah en Zijn Boodschapper ﷺ heeft beledigd?” Daarop stond Muhammad bin Maslamah op en zei: “O Boodschapper van Allah ﷺ, wilt u dat ik hem dood?” Hij ﷺ zei: “Ja”. Muhammad bin Maslamah vroeg: "Sta me dan toe om iets (onwaars) te zeggen (dat wil zeggen, Ka’b te misleiden).” Hij ﷺ zei: “Je mag het zeggen.”
Allah's Messenger (peace be upon him) said: “Who is willing to kill Ka’b bin Al-Ashraf who has insulted Allah and His Messenger?” Thereupon, Muhammad bin Maslamah stood up saying: “O Allah's Messenger (peace be upon him), Would you like me to kill him?" He (peace be upon him) said: “Yes”. Muhammad bin Maslamah asked: "Then allow me to say a (false) thing (i.e. to deceive Ka’b)”. He (peace be upon him) said: “You may say it”. .
Muhammad bin Maslamah ging toen naar Ka’b en zei: “Die man (d.w.z. Muhammad ﷺ) eist liefdadigheid (Sadaqah) van ons, en hij heeft ons zwaar gemaakt, en ik ben gekomen om iets van jou te lenen”. Daarop zei Ka`b: “Bij Allah, je zult moe van hem worden!” Muhammad bin Maslamah zei: “Nu we hem gevolgd hebben, willen we hem niet verlaten totdat we zien hoe zijn zaak zal uitpakken. We wilden dat je ons een of twee Wasq zou lenen (d.w.z. een hoeveelheid voedsel). [Opmerking: ‘Amr heeft het meermaals aan ons overgeleverd en hij noemde geen Wasq of twee Wasqs]. Ka’b zei: “Ja, (ik zal dat aan je lenen), maar je moet iets aan mij verpanden als zekerheid”. Muhammad bin Maslamah en zijn metgezel zeiden: "Wat wil je?" Ka’b antwoordde: “Verpand je vrouwen aan mij als zekerheid”. Zij antwoordden: “Hoe kunnen wij onze vrouwen aan jou verpanden terwijl jij de knapste van de Arabieren bent?” Ka’b zei: “Verpand dan je zonen aan mij” Zij antwoordden: “Hoe kunnen wij onze zonen aan jou verpanden? Een van hen zal worden beledigd en er zal worden gezegd dat hij is verpand voor een of twee Wasq? Dat zou ons grote schande berokkenen. In plaats daarvan zullen wij onze wapens aan jou verpanden als zekerheid”. Hij stemde er toen mee in om later op een vastgesteld tijdstip naar hem toe te komen.
Muhammad bin Maslamah then went to Ka’b and said: “That man (i.e. Muhammad (peace be upon him)) demands Sadaqah (charity) from us, and he has brought us hardship, and I have come to loan something from you”. On that, Ka`b said: “By Allah, you will get tired of him!” Muhammad bin Maslamah said: “Now as we have followed him, we do not want to abandon him until we see how his matter will turn out. We wanted for you to loan us a Wasq or two (i.e. quantity of food). [Note: ‘Amr related to us more than once and he did not mention a Wasq or two Wasqs]. Ka’b said: “Yes, (I will loan that to you), but you should mortgage something to me as a security”. Muhammad bin Mas-lama and his companion said, "What do you want?" Ka’b replied: “Mortgage your women to me as a security”. They responded: “How can we mortgage our women to you whilst you are the most handsome of the Arabs?” Ka’b said: “Then mortgage your sons to me” They replied: “How can we mortgage our sons to you? One of them will be insulted and it would be said that he was mortgaged for a Wasq or two? That would cause us great disgrace. Instead, we will mortgage our weapons to you as a security”. He then agreed to come to him later at a set time. .

“Wie zal Ka’b bin Al-Ashraf doden? Hij heeft Allah en Zijn Boodschapper ﷺ belasterd.” Muhammad bin Maslamah zei: “O Boodschapper van Allah ﷺ, wilt u dat ik hem dood?” Hij antwoordde: “Ja.” Hij zei: “Sta mij dan toe om met hem te spreken (op de manier die ik passend acht, inclusief misleiding).” Hij zei: “Spreek (zoals je wilt).” Hij ging toen naar hem (Ka’b) en sprak met hem, verwees naar de oude vriendschap tussen hen en zei: “Deze man (dat wil zeggen de Boodschapper ﷺ) heeft aalmoezen (van ons) geëist en dit heeft ons in grote moeilijkheid gebracht.” Toen Ka’b dit hoorde, zei hij: “Bij Allah, je zult door hem nog meer in de problemen worden gebracht.” Muhammad bin Maslamah antwoordde: “Voorwaar, wij zijn nu zijn volgelingen geworden en wij willen hem niet verlaten totdat we zien hoe zijn zaak afloopt. Ik wilde dat u mij een lening zou verstrekken.” Hij zei: “Wat zul je mij als onderpand geven?” Hij vroeg: “Wat wil je?” Hij antwoordde: “Geef mij je vrouwen als onderpand.” Hij antwoordde: “Jij bent de knapste van de Arabieren. Moeten wij dan onze vrouwen aan jou als onderpand geven?” Hij zei: “Geef mij dan je zonen als onderpand.” Hij antwoordde: “Een van onze zonen zou beledigd kunnen worden en er zou gezegd kunnen worden dat hij was verpand voor slechts twee Wasqs aan dadels. Liever geven wij je onze wapens als onderpand.” Hij zei: “Vooruit dan maar.” Vervolgens stemde Muhammad bin Maslamah ermee in dat hij naar hem toe zou komen samen met Al-Harith, Abu 'Abs bin Jabr en ‘Abbad bin Bishr.
“Who will kill Ka’b bin Al-Ashraf? He has maligned Allah and His Messenger”. Muhammad bin Maslamah said: “O Messenger of Allah, would you like me to kill him?” He replied: “Yes”. He said: “Permit me then to talk (to him in the way I deem fit including deception)”. He said: “Talk (as you like)”. He then went to him (Ka’b) and talked to him, referred to the old friendship between them and said: “This man (i.e. the Messenger (peace be upon him)) has demanded charity (from us) and this has put us to a great hardship”. When be heard this, Ka’b said: “By Allah, you will be put to more trouble by him”. Muhammad bin Maslamah replied: “verily, we have become his followers now and we do not like to forsake him until we see how his affair turns out. I had wanted that you provide me a loan”. He said: “What will you give me as a pledge of security?” He asked: “What do you want?” He answered: “Pledge me your women as a security”. He replied: “You are the most handsome of the Arabs. Should we then pledge our women to you?” He said: “Then pledge me your sons”. He replied: “One of our sons may be insulted and it will be said that he was pledged for (a mere) two Wasqs of dates. Rather, we can pledge you our weapons as a security”. He said: “All right”. Then Muhammad bin Maslamah agreed that he would come to him along with Al-Harith, Abu 'Abs bin Jabr and ‘Abbad bin Bishr. .
Later kwamen zij en riepen hem tijdens de nacht (bij zijn verblijfplaats) toe. Hij kwam naar hen toe. [Sufyan merkte op dat alle overleveraars, behalve 'Amr, hebben vermeld dat zijn vrouw zei: “Ik hoor een stem die klinkt als een stem die bloed begeert”. Hij antwoordde haar toen: “Het is slechts Muhammad bin Maslamah en Abu Na'ilah, zijn stiefbroer. Wanneer een jonge (sterke) man 's nachts wordt geroepen, zelfs als het is om door een blad te worden doorboord, moet hij op zo'n oproep reageren”]. Muhammad ﷺ zei tegen zijn metgezellen: “Wanneer hij komt, zal ik mijn handen naar zijn hoofd uitstrekken en wanneer ik hem stevig vasthoud, moeten jullie jullie taak uitvoeren.” Toen hij naar beneden kwam, losjes bedekt door een gewaad, zeiden zij tegen hem: “Wij merken dat u een zeer fijne, geurende geur heeft.” Hij antwoordde: “Ja, ik heb een vrouw bij me die de meest fijngeurende is van de vrouwen van Arabia.” Hij (Muhammad ﷺ) zei: “Zou je me toestaan (de geur op je hoofd) te ruiken?” Hij zei: “Ja, je mag ruiken.” Toen nam hij het haar (in zijn handen) en rook eraan. Toen zei hij: “Zou je me toestaan dit (nogmaals) te doen?” Hij hield toen zijn hoofd stevig vast en zei tegen zijn metgezellen: “Val hem aan.” Hij (de verteller) zei: En toen doodden zij hem” [Einde van het citaat].

De Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie zal omgaan met Ka’b bin Al-Ashraf? Want hij heeft Allah en Zijn Boodschapper ﷺ beledigd.” Muhammad bin Maslamah, moge Allah tevreden met hem zijn, stond op en zei: “O Boodschapper van Allah ﷺ, wilt u dat ik hem dood?” Hij antwoordde: “Ja.” Hij zei: “Sta mij dan toe om dingen te zeggen (d.w.z. misleiding te gebruiken).” Hij (Bin Maslamah) ging toen naar hem toe en zei tegen hem (Ka’b): “Inderdaad, deze man (d.w.z. de Profeet ﷺ) heeft liefdadigheid (Sadaqah) van ons gevraagd en dit heeft ons zwaar gevallen. Wij hebben ervoor gekozen hem te volgen en wij willen hem niet verlaten totdat we zien hoe zijn zaak zal uitpakken.” Hij vervolgde: “En ik wilde graag een lening van u afsluiten.” Hij (Ka’b) vroeg: “En wat zul je mij als onderpand geven?” Zij (d.w.z. Ibn Maslamah en degenen die hem vergezelden) vroegen: “Wat wilt u van ons?” Hij antwoordde: “Geef mij uw vrouwen als onderpand.” Zij antwoordden: “U bent de knapste van de Arabieren, dus hoe zouden wij onze vrouwen als onderpand aan u kunnen geven? Dat zou een schandelijke vernedering voor ons zijn.” Hij zei: “Geef mij dan uw zonen als onderpand.” Zij reageerden: “Glorie aan Allah, een van onze zonen zou worden beledigd en er zou tegen hem worden gezegd: Je bent als onderpand gegeven voor slechts een of twee Wasq aan dadels!” Zij zeiden: “Kunnen wij u wapens als onderpand geven?” Hij zei: “Ja, ik ga akkoord.”
“The Messenger of Allah (peace be upon him) said: “Who will deal with Ka’b bin Al-Ashraf? For verily, he has defamed Allah and His Messenger”. Muhammad bin Maslamah, may Allah be pleased with him, stood and said: “O Messenger of Allah, would you like me to kill him?”. He replied: “Yes”. He said: “Then permit me to say things (i.e. use deception)”. He (Bin Salamah) then went to him and said to him (Ka’b): “Indeed this man (i.e. the Prophet) has asked Sadaqah from us and this has caused us hardship. We have chosen to follow him and we dislike to abandon him until we see how his matter will turn out”. He continued: “And I had wanted to take a loan from you”. He (Ka’b) asked: “And what will you pledge to me as a security? They (i.e. Ibn Maslalamah and those accompanying him) asked: “What do you want from us? He answered: “Pledge me your women as a security”. They replied: “You are the most handsome of Arabs so how could we possibly pledge our women to you as a security? That would be a shameful disgrace for us” He said: “Then pledge me your sons as a security”. They responded: Glory be to Allah, one of our sons would be insulted and it would be said to him: You were pledged as a security for a mere Wasq or two of dates!” They said: “We can pledge you weapons?” He said: “Yes, I agree”. .
Toen hij (Bin Maslamah) later naar zijn (Ka’b) verblijfplaats kwam, riep hij hem. Hij kwam toen naar buiten en hij droeg een geurende parfum. Hij ging zitten bij hem (Bin Maslamah), die een groep van drie of vier met zich had, en de geur van het parfum kwam van hem af. Zij spraken hem toen op die geurende parfum aan en hij (Ka’b) zei: “Ik heb een bepaalde vrouw en zij is de meest fijngeurende vrouw van alle mensen.” Hij (Bin Maslamah) vroeg: “Zou je me toestaan het te ruiken?” Hij antwoordde: “Ja.” Hij plaatste toen zijn hand in het haar van zijn hoofd en rook eraan. Hij vroeg toen: “Mag ik nog een keer ruiken?” Hij antwoordde bevestigend, en toen hij (Bin Maslamah) zijn hoofd vastgreep, zei hij: “Val hem aan,” waarna zij hem sloegen totdat zij hem hadden gedood.

De Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie zal zich bezighouden met Ka’b bin Al-Ashraf? Want werkelijk, hij heeft Allah en Zijn Boodschapper ﷺ beledigd”. Muhammad bin Maslamah, moge Allah tevreden met hem zijn, stond op en zei: “O Boodschapper van Allah ﷺ, wilt u dat ik hem dood?”. Hij antwoordde: “Ja”. Hij zei: “Sta mij dan toe om dingen te zeggen (d.w.z. misleiding te gebruiken)”. Hij zei: “Ja, je mag dergelijke woorden gebruiken”.
“The Messenger of Allah (peace be upon him) said: “Who will deal with Ka’b bin Al-Ashraf? For verily, he has defamed Allah and His Messenger”. Muhammad bin Maslamah, may Allah be pleased with him, stood and said: “O Messenger of Allah, would you like me to kill him?”. He replied: “Yes”. He said: “Then permit me to say things (i.e. use deception)”. He said: “Yes, you may use such speech”..
Hij (Bin Salamah) ging toen naar hem toe en zei tegen hem (Ka’b): “Inderdaad, deze man (d.w.z. de Profeet ﷺ) heeft liefdadigheid (Sadaqah) van ons gevraagd en dit heeft ons zwaar gevallen en ons uitgeput.” Hij vervolgde: “Wij hebben ervoor gekozen om hem te volgen en wij willen hem niet verlaten totdat we zien hoe zijn zaak zal uitpakken. En wij wilden graag een lening van een Wasq (een specifieke hoeveelheid voedsel) of twee van u nemen.” Hij (Ka’b) vroeg: “En wat zullen jullie mij als onderpand geven?” Zij vroegen: “Wat wilt u van ons?” Hij antwoordde: “Geef mij jullie vrouwen als onderpand.” Zij antwoordden: “Glorie aan Allah, u bent de meest edele van de Arabieren. Als wij onze vrouwen aan u als onderpand zouden geven, dan zou dat een schandelijke vernedering voor ons zijn.” Hij zei: “Geef mij dan jullie zonen als onderpand.” Zij reageerden: “Glorie aan Allah, een van onze zonen zou worden beledigd en er zou tegen hem worden gezegd: Je bent als onderpand gegeven voor een (slechts) Wasq of twee van dadels!” Zij zeiden: “Wij kunnen u wapens als onderpand geven?” Hij zei: “Ja (ik ga akkoord).”
He (Bin Salamah) then went to him and said to him (Ka’b): “Indeed this man (i.e. the Prophet) has asked Sadaqah from us and this has caused us hardship and worn us out”. He continued: “We have chosen to follow him and we dislike to abandon him until we see how his matter will turn out. And we had wanted to take a loan of a Wasq (specific quantity of food) or two from you”. He (Ka’b) asked: “And what will you pledge to me as a security? They asked: “What do you want from us? He answered: “Pledge me your women as a security”. They replied: “Glory be to Allah, You are the most handsome of Arabs. If we were to pledge our women to you as a security that would be a shameful disgrace upon us?” He said: “Then pledge me your sons as a security”. They responded: “Glory be to Allah, one of our sons would be insulted and it would be said to him: You were pledged as a security for a (mere) Wasq or two of dates!” They said: “We can pledge you weapons?” He said: “Yes (I agree)”. .


“Ka’b bin Al-Ashraf reciteerde poëzie die de Profeet ﷺ dwarszat en ging naar Ghatafan. De Profeet ﷺ zei toen: “Wie zal voor mij de zoon van Al-Ashraf aanpakken, aangezien hij inderdaad Allah en Zijn Boodschapper ﷺ heeft beledigd?” Muhammad bin Maslamah Al-Harithiy zei: “Ik, o Boodschapper van Allah ﷺ, wilt u dat ik hem dood?” De Boodschapper van Allah ﷺ bleef daarover stil en zei: “Haal Sa’d bin Mu’adh en raadpleeg hem”. Hij (bin Maslamah) zei: Dus ik bracht Sa’d bin Mu’adh en meldde de zaak aan hem. Hij zei: “Ga voort met de zegen van Allah en neem met je mee de neef van Al-Harith bin Aws bin Mu’adh, ‘Abbad bin Bishr Al-Ash’haliy, Abu ‘Abs bin Jabr Al-Harithiy en Abu Na’il Silkan bin Qais Al-Ash’haliy”. Hij zei: Dus ik ontmoette hen en meldde de zaak aan hen allen, behalve Silkan die niet aanwezig was. Hij zei: O neef, ik geloof je, maar ik zou daar helemaal niet aan willen deelnemen totdat ik met de Boodschapper van Allah ﷺ heb gesproken. Hij meldde deze zaak vervolgens aan de Profeet ﷺ en hij zei tegen hem: “Ga voort met je metgezellen”. Hij (de overleveraar) zei: Dus wij gingen 's nachts op pad totdat we zijn fort bereikten.”
“Ka’b bin Al-Ashraf used to recite poetry that troubled the Prophet (peace be upon him) and went out to Ghatafan. The Prophet (peace upon him) then said: “Who will deal with the son of Al-Ashraf for me as he has indeed insulted Allah and His Messenger?” Muhammad bin Maslamah Al-Harithiy said: “I, O Messenger of Allah, would you like me to kill him?” The Messenger of Allah (peace be upon him) remained silent upon that and said: “Fetch Sa’d bin Mu’adh and consult him”. He (bin Maslamah) said: So, I brought Sa’d bin Mu’adh and mentioned the matter to him. He said: “Proceed with the blessing of Allah and take with you the nephew of Al-Harith bin Aws bin Mu’adh, ‘Abbad bin Bishr Al-Ash’haliy, Abu ‘Abs bin Jabr Al-Harithiy and Abu Na’il Silkan bin Qais Al-Ash’haliy”. He said: So I met with them and mentioned the matter to them all apart from Silkan who did not attend. He said: O nephew, I believe you but I would not like to partake in that at all until I speak to the Messenger of Allah (peace be upon him). He then mentioned this matter to the Prophet (peace be upon him) and he said to him: “Proceed along with your companions”. He (the relator) said: So we went out at night until we reached his fortress. .
In relatie tot dat schreef ‘Abbad bin Bishr poëzie waarin hij de strijd en de reis uitlegde, zeggende:
In relation to that ‘Abbad bin Bishr composed poetry explaining the killing and journey, saying:
Ik kwam naar hem en hij zei: wie roept mij aan?
I came to him and he said who is calling upon me?
Ik zei: Je broer ‘Abbad bin Bishr.
I said: Your brother ‘Abbad bin Bishr.


De Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Wie zal voor mij de zoon van Al-Ashraf aanpakken?”. Muhammad bin Maslamah vroeg toen: “Wilt u dat ik hem dood, o Boodschapper van Allah ﷺ?”. De Boodschapper van Allah ﷺ bleef toen stil. Muhammad zei toen: “Hij heeft ingestemd door middel van stilte”. De Boodschapper van Allah ﷺ zei toen: “Haal Sa’d bin Mu’adh en raadpleeg hem”. En zo raadpleegde hij hem en hij (Sa’d) zei tegen hem: “Neem Abu ‘Abs bin Jabr, Al-Harith bin Uwais bin Mu’adh, ‘Abbad bin Bishr en Abu Na’ilah Sulkan bin Salamah met je mee”. Hij (de verteller) zei: “Wij vertrokken toen totdat we zijn (Ka’b’s) vesting bereikten. ‘Abbas Bin Bishr riep uit en zei toen (in poëtische proza):.
“The Messenger of Allah (peace be upon him) said: “Who will deal with the son of Al-Ashraf for me?”. Muhammad bin Maslamah then asked: “Would you like me to kill him O Messenger of Allah?”. The Messenger of Allah (peace be upon him) was then silent. Muhammad then said: “He has consented by way of silence”. The Messenger of Allah (peace be upon him) then said: “Fetch Sa’d bin Mu’adh and consult him”. And so he consulted him and he (Sa’d) told him: “Take along with you Abu ‘Abs bin Jabr, Al-Harith bin Uwais bin Mu’adh, ‘Abbad bin Bishr and Abu Na’ilah Sulkan bin Salamah”. He (the narrator) said: “We then set out until we reached his (Ka’b’s) fortress. ‘Abbas Bin Bishr yelled out and then said (in poetic prose):.
Ik riep hem aan en hij gaf geen gehoor aan mijn stem.
I called out to him and he did not repel to my voice.
En een kleur die van bovenaf opstijgt, waarschuwing.
And a colour rising from above caution.
Hij werd er wakker van en zei: Wie roept (mij aan)?
He awoke to it and said: Who is calling (for me)?
Ik zei: Je broer ‘Abbad bin Bishr.
I said: Your brother ‘Abbad bin Bishr.
Dit (hier) zijn jullie wapens als een teken van veiligheid, dus neem ze aan.
This (here) are your weapons as a pledge of security so take them.
Om een maand of een halve maand te vervullen.
For a month or half a month to be fulfilled.
Hij zei: Een groep die gefrustreerd en afgewend is geraakt.
He said: A gathering who have become frustrated and turned.
Die niet aan het lijden zijn ontsnapt zonder in armoede te vervallen.

“De Profeet ﷺ schreef dat bloedgeld verschuldigd is aan elke stam. Hij schreef vervolgens (maakte het verplicht) dat het voor een vrijgelaten slaaf niet toegestaan is om een moslim (anders dan degene die hem heeft vrijgelaten) als zijn Mawla (beschermheer) te nemen zonder de toestemming (van zijn voormalige meester die hem vrijliet).”
“The Prophet (peace be upon him) wrote that blood-money is due upon every tribe. He then wrote (made it obligatory) that it is not permissible for a freed slave to take a Muslim (other than the one who freed him) as his Mawla (Patron) without the permission (of his former master who set him free). .
Hij (de verteller voegde verder toe): "Er is mij medegedeeld dat hij (de Edele Profeet ﷺ) degene vervloekte die dat deed (en dat het werd opgeschreven) in zijn Sahifah (in een document)" [Einde van het citaat].
He (the narrator further added): I was informed that he (the Noble Prophet) cursed the one who did that (and that it was recorded) in his Sahifah (in a document)” [End of Quote].
Imam An-Nasaa’iy heeft dit ook overgeleverd in zijn Sunan (4/241/7033), naast Imam Ahmad bin Hanbal in zijn Musnad (3/321/14485), Al-Baihaqi in zijn Sunan Al-Kubra (8/107/16157) en (8/108/16158), Imam Abu Ya’la in zijn Musnad (4/161/2228), Ibn Al-Jaroud in “Al-Muntaqa” (1/197/779), en Imam Abdur Razaq As-San’aniy in zijn Musannaf (9/6/16154), onder anderen. Ahmad Bin Hanbal heeft het ook overgeleverd in zijn Musnad (3/342/14727) via een andere weg:
Imam An-Nasaa’iy also related this in his Sunan (4/241/7033), in addition to Imam Ahmad bin Hanbal in his Musnad (3/321/14485), Al- Baihaqi in in Sunan Al-Kubra (8/107/16157) and (8/108/16158), Imam Abu Ya’la in his Musnad (4/161/2228), Ibn Al-Jaroud in “Al-Muntaqa” (1/197/779), and Imam Abdur Razaq As-San’aniy in his Musannaf (9/6/16154), among others. Ahmad Bin Hanbal also related it in his Musnad (3/342/14727) via a different path:

“Abu Az-Zubair vroeg Jabir naar de man die de positie van Mawla (patroon) van een moslimman inneemt zonder zijn toestemming. Hij (Jabir) zei: “De Profeet ﷺ schreef dat bloedgeld verschuldigd is aan elke stam. Hij schreef vervolgens (maakte het verplicht) dat het voor een vrijgelaten slaaf niet toegestaan is om een moslim (anders dan degene die hem vrijliet) als zijn Mawla (patroon) te nemen zonder de toestemming (van zijn voormalige meester die hem vrijliet)”. Ik zeg: Dit komt overeen met een deel van wat is vermeld in de Sahifah en deze overleveringsketens zijn Sahih. In de Musannaf van Ibn Abi Shaibah (12/417/33927) werd het volgende overgeleverd: Ibn ‘Abbas zei:
“Abu Az-Zubair asked Jabir about the man who assumes the position of being the Mawla (patron) of a Muslim man without his permission. He (Jabir) said: “The Prophet (peace be upon him) wrote that blood- money is due upon every tribe. He then wrote (made it obligatory) that it is not permissible for a freed slave to take a Muslim (other than the one who freed him) as his Mawla (Patron) without the permission (of his former master who set him free)”. I say: This is in agreement to some of what came stated in the Sahifah and these chains of narration are Sahih. In the Musannaf of Ibn Abi Shaibah (12/417/33927) the following was related: Ibn ‘Abbas said:

“De Boodschapper van Allah ﷺ schreef een document tussen de Muhajirin en de helpers (Ansar): dat zij het bloedgeld betalen voor hen aan wie het verschuldigd was, en dat zij hun gevangenen vrijkopen op een goede en passende wijze, en op een manier die de verhoudingen tussen de moslims herstelt en verbetert.”
“The Messenger of Allah (peace be upon him) wrote a document between the Muhajrin and the Ansar: That they pay their blood money for those whom it was due and that they ransom their captives in a good and fitting manner and in a way that rectifies and mends between the Muslims”.
Het is ook op deze wijze vastgelegd in de Musannaf van Ibn Abi Shaibah (9/318/28150).
It is also recorded, like this, in the Musannaf of Ibn Abi Shaibah (9/318/28150).
Het werd overgeleverd in de Musnad “Al-Jaami’ Al-Mu’allal” van Abu Al-Fadl (3/373/6771). Het werd overgeleverd van Ibn ‘Abbas dat hij zei:
It was related in the Musnad “Al-Jaami’ Al-Mu’allal” of Abu Al-Fadl (3/373/6771). It was related from Ibn ‘Abbas that he said:

“De Boodschapper van Allah ﷺ schreef een document tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar): dat zij hun bloedgeld betalen voor hen aan wie het verschuldigd was, en dat zij hun gevangenen vrijkopen op een goede en passende wijze, en op een manier die de verhoudingen tussen de moslims herstelt en verbetert.”
“The Messenger of Allah (peace be upon him) wrote a document between the Muhajirin and the Ansar: That they pay their blood money for those whom it was due and that they ransom their captives in a good and fitting manner and in a way that rectifies and mends between the Muslims”.
Het werd ook overgeleverd door Ahmad (1/271/2444).
It was also related by Ahmad (1/271/2444).
En het werd ook overgeleverd in de Musnad “Al-Jaami’ Al-Mu’allal” van Abu Al-Fadl (20/141/8505) van Abdullah bin ‘Amr, die zei:
And it was also related in the Musnad “Al-Jaami’ Al-Mu’allal” of Abu Al-Fadl (20/141/8505) from Abdullah bin ‘Amr, who said:

“Dat de Profeet ﷺ een document schreef tussen de Muhajirin en de helpers (Ansar): dat zij de bloedgelden betalen voor hen aan wie dit verschuldigd was, en dat zij hun gevangenen op een goede en passende wijze vrijkopen, op een manier die de verhoudingen tussen de moslims herstelt en verbetert.”
“That the Prophet (peace be upon him) wrote a document between the Muhajrin and the Ansar: That they pay their blood money for those whom it was due and that they ransom their captives in a good and fitting manner and in a way that rectifies and mends between the Muslims”.
Dit werd ook overgeleverd door Ahmad (1/271/2443 en (2/204/6904) met verschillende overleveraars.
This was also recorded by Ahmad (1/271/2443 and (2/204/6904) with different transmitters.
Beide werden vermeld in Al-Awsat van Ibn ul-Mundhir (10/145/2443) [volgens de nummering van het elektronische Shamela-bibliotheekprogramma]. Ibn ‘Abbas overleverde:
Both were mentioned in Al-Awsat of Ibn ul-Mundhir (10/145/2443) [According to the numbering of the electronic Shamela library program]. Ibn ‘Abbas related:

“Dat de Boodschapper van Allah ﷺ een document schreef tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar): dat zij de bloedgelden betalen voor hen aan wie dit verschuldigd was, en dat zij hun gevangenen op een goede en passende wijze vrijlaten, op een manier die de zaken tussen de moslims rechtzet en herstelt.”
“That the Messenger of Allah (peace be upon him) wrote a document between the Muhajirin and the Ansar: That they pay their blood money for those whom it was due and that they free their captives in a good and fitting manner and in a way that rectifies and mends between the Muslims”.
Daarnaast werd in “Ad-Diyat” van Ibn Abi ‘Asim (352/240) [volgens de nummering van het elektronische Shamela-bibliotheekprogramma] overgeleverd van Ibn ‘Abbas en van ‘Amr bin Shu’aib, die overleverde van zijn vader, die overleverde van zijn grootvader, dat:
In addition, in “Ad-Diyat” of Ibn Abi ‘Asim (352/240) [According to the numbering of the electronic Shamela library program] it was related from Ibn ‘Abbas and from ‘Amr bin Shu’aib who related from his father who related from his grandfather that:

“Dat de Profeet ﷺ een document schreef tussen de Muhajirin en de helpers (Ansar): dat zij de bloedgelden betalen voor hen aan wie dit verschuldigd was, en dat zij hun gevangenen vrijkopen op een goede en passende wijze en op een manier die de verhoudingen tussen de moslims herstelt en verbetert.” Ik zeg: Wat dit betreft, dan kan er niet veel op vertrouwd worden vanwege de zwakte van Al-Hajjaj bin Artat (een van de overleveraars), aangezien zijn Tadlis (misrepresentatie) excessief was. Hij heeft hierdoor onstabiliteit (Iditraab) in de overleveringsketen (Isnad) gebracht. Indien het authentiek zou zijn, dan is het alsof het verwijst naar enkele van de regels die in de Sahifah (constitutionele document) zijn opgenomen.
“That the Prophet (peace be upon him) wrote a document between the Muhajrin and the Ansar: That they pay their blood money for those whom it was due and that they ransom their captives in a good and fitting manner and in a way that rectifies and mends between the Muslims”. I say: As for this, then it is not relied upon greatly due to the weakness of Al-Hajjaj bin Artat (one of the transmitters) as his Tadlis (misrepresentation) was excessive. He has therefore brought instability (Iditraab) to the Isnad (transmission chain) here. If it was authenticated, then it is as if it is alluding to some of the rulings contained in the Sahifah (constitutional document).