1.3.2 Details betreffende deze historische “Mu’akhaah” (pact van broederschap) en de persoonlijkheden die hierbij betrokken waren
1.3.2 Details concerning this historic “Mu’akhaah” (pact of brotherhood) and the personalities involved in it
Het volgende is overgeleverd in “At-Tabaqat Al-Kubra” van Ibn Sa’d (2/12): Abdullah bin Muhammad bin ‘Umar bin ‘Ali rapporteerde van zijn vader:
The following came related in “At-Tabaqat Al-Kubra”, of Ibn Sa’d (2/12): Abdullah bin Muhammad bin ‘Umar bin ‘Ali related from his father:

“Toen de Boodschapper van Allah ﷺ naar Al-Madinah kwam, stichtte hij een verbond van broederschap tussen de emigranten (Muhajirun), sommigen van hen met anderen onder hen, en hij stichtte ook een broederschap (in paren) tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar). Het stichten van de broederschap vond niet plaats vóór Badr. Hij ﷺ stichtte broederschap tussen hen op basis van de waarheid en het verlenen van bijstand/steun. Vervolgens vormde hij een broederschaps-paring tussen hemzelf en ‘Ali Ibn Abi Talib”. Ook in “At-Tabaqat Al-Kubra”, van Ibn Sa’d (2/12): Abdullah bin Muhammad bin ‘Umar bin ‘Ali vertelde van zijn vader:
“When the Messenger of Allah (peace be upon him) came to Al- Madinah, he established a pact of brotherhood between the Muhajirin, some of them with others from among them, and he also established a brotherhood (of pairs) between the Muhajirin and the Ansar. The establishment of brotherhood did not take place except prior to Badr. He (peace be upon him) established brotherhood between them upon the basis of the truth and providing assistance/support. Then he made a brotherhood pairing between himself and ‘Ali Ibn Abi Talib”. Also, in “At-Tabaqat Al-Kubra”, of Ibn Sa’d (2/12): Abdullah bin Muhammad bin ‘Umar bin ‘Ali related from his father:

“Toen de Profeet ﷺ een verbond van broederschap tussen zijn metgezellen stichtte, legde hij zijn hand op de schouder van ‘Ali en zei toen: “Jij bent mijn broer, jij erft van mij en ik erf van jou”. Toen werd het vers (Ayah) met betrekking tot de erfenis geopenbaard dat werd ingetrokken (dat wil zeggen: het recht op erfenis gebaseerd op deze verbintenis van broederschap).
“That when the Prophet (peace be upon him) established a pact of brotherhood between his companions, he placed his hand upon the shoulder of ‘Ali and then said: “You are my brother, you inherit from me and I inherit from you”. Then when the Aayah related to inheritance was revealed that was cut off (i.e. the right of inheritance based on this brotherhood pairing).
Ibn Sa’d overleverde ook in zijn “Tabaqat Al-Kubra” (2/12) van ‘Asim bin ‘Umar bin Qatadah, die zei:
Ibn Sa’d, in his “Tabaqat Al-Kubra” (2/12) also related from ‘Asim bin ‘Umar bin Qatadah who said:

“De Boodschapper van Allah ﷺ vestigde een broederschap (in paren) tussen ‘Ali bin Abi Talib en Sahl bin Hanif.”
“The Messenger of Allah (peace be upon him) established a brotherhood (of pairs) between ‘Ali bin Abi Talib and Sahl bin Hanif”.
In “Ikhtisaar Al-Maghazi Wa s-Siyar” van Ibn Abdul Barr (p.20 Shamela Electronic Book Program) staat onder de kop: “De vorming van broederschap door de Boodschapper van Allah ﷺ tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar)”:
In “Ikhtisaar Al-Maghazi Wa s-Siyar” of Ibn Abdul Barr (p.20 Shamela Electronic Book Program) stated under the heading: “The formation of brotherhood by the Messenger of Allah (peace be upon him) between the Muhajirin and the Ansar”:
“De Boodschapper van Allah ﷺ vestigde de broederschap tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar), na de bouw van de moskee. Er is gezegd dat de broederschap werd ingesteld terwijl de moskee werd gebouwd, tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar), op basis van het verlenen van bijstand/steun en op basis van de waarheid. Volgens dat principe zouden zij van elkaar erven en niet op basis van bloedverwantschap, totdat het volgende werd geopenbaard: “Maar degenen met een [bloed]verwantschap hebben meer recht [op erfenis] in de beschikking van Allah” (8:75). Abu Dawud At-Tayalisi overleverde van Ibn ‘Abbas: “De Boodschapper van Allah ﷺ maakte een broederschap tussen zijn metgezellen; de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar), en zij erfden van elkaar, totdat: “Maar degenen met een [bloed]verwantschap hebben meer recht [op erfenis] in de beschikking van Allah” (8:75) werd geopenbaard.”
“The Messenger of Allah (peace be upon him) established the brotherhood between the Muhajirin and the Ansar, after building the Masjid. It has been said that the brotherhood was established whilst the Masjid was being built, between the Muhajirin and the Ansar, upon the basis of providing assistance/support and upon the truth. According to that, they would inherit from each other and not based upon blood relation, until the following was revealed: “But those of [blood] relationship are more entitled [to inheritance] in the decree of Allah” (8:75). Abu Dawud At-Tayalisi related from Ibn ‘Abbas: “The Messenger of Allah (peace be upon him) made a brotherhood between his companions; the Muhajirin and the Ansar, and they inherited from each other, until: “But those of [blood] relationship are more entitled [to inheritance] in the decree of Allah” (8:75) was revealed.
Sa’eed bin Dawud verklaarde: “Wij hebben overgeleverd en genoteerd van onze Shuyukh (d.w.z. leraren) dat hij ﷺ op die dag een broederschap heeft ingesteld tussen Abu Bakr As-Siddiq en Kharija bin Zaid bin Abu Zuhair, en tussen ‘Umar ibn ul-Khattab en ‘Uwaim bin Sa’idah”. Hij zei: En er is gezegd dat het werd ingesteld tussen ‘Umar ibn ul-Khattab en Mu’adh bin ‘Afraa’. Hij zei: En er is (ook) gezegd: De broederschap werd ingesteld tussen ‘Umar en ‘Atban bin Malik, ‘Uthman bin ‘Affan en ‘Aws bin Thabit, ‘Ali ibn Abi Talib en Sahl bin Hanif, Zaid bin Haritha en Usaid bin Al-Hudair, Abu Marthad Al-Ghanwiy en ‘Ubadah bin Samit, Az-Zubair en Ka’b bin Malik, Talha en Ubayy bin Ka’b, Sa’d bin Abi Waqqas en Sa’d bin Mu’adh, Abdur Rahman bin ‘Auf en Sa’d bin Ar-Rabee’, Abdullah bin Jahsh en ‘Asim bin Thabit, Abu Hudhaifa bin ‘Utbah en ‘Abbad bin Bishr, ‘Utbah bin Ghazwan en Abu Dujana, Mus’ab bin ‘Umair en Abu Ayub, Ibn Mas’ud en Mu’adh bin Jabal, Abu Salamah bin Abdul Asad en Sa’d bin Khuthaimah, ‘Ammar en Hudhaifa bin Al-Yaman, Abu ‘Ubaidah en Muhammad bin Maslama, Uthman bin Mazh’un en Abu Al-Haitham bin At-Taihan, en tussen Salman Al-Farisi en Abu Ad-Dardaa’. Al-Hafizh Abu ‘Umar, moge Allah tevreden met hem zijn, zei: Sanid vermeldde dit en schreef het via een overleveringslijn niet toe aan iemand, maar zei enkel dat het aan hem was overgeleverd. Wat authentiek is, volgens de geleerden van de biografieën en verslagen, met betrekking tot de instelling van de broederschap die werd ondernomen door de Boodschapper van Allah ﷺ tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar) toen hij in Al-Madinah arriveerde, is dat: Hij een broederschap instelde tussen Abu Bakr As-Siddiq en Kharija bin Zaid bin Abu Zuhair, ‘Umar ibn ul-Khattab en ‘Atban bin Malik, Uthman bin ‘Affan en Aws bin Thabit bin Al-Mundhir (de broer van Hassan bin Thabit), en dat hij een broederschap instelde tussen ‘Ali bin Abi Talib en hemzelf ﷺ. Hij zei tegen hem: “Jij bent mijn broeder in de Dunya (het leven van deze wereld) en in het hiernamaals”. (Na de vermelding van de overleveringsketen) Ibn ‘Abbas rapporteerde: “Dat de Profeet ﷺ tegen ‘Ali zei: “Jij bent mijn broeder en mijn metgezel”. (Na de vermelding van de overleveringsketen) Ibn ‘Abbas rapporteerde: ‘Ali zei gewoonlijk: “Bij Allah, ik ben de broeder van de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn Wali”. (Na de vermelding van de overleveringsketen) ‘Abbad bin Abdullah zei: Ik hoorde ‘Ali zeggen: “Ik ben Abdullah (de dienaar van Allah) en de broeder van Zijn Boodschapper, en niemand zal dat na mij zeggen behalve een grote leugenaar en vervalser”. (Na de vermelding van de overleveringsketen) Abu Suleiman Al-Jahaniy, zijnde Zaid bin Wahb, zei: Ik hoorde ‘Ali zeggen vanaf de Minbar (preekstoel): “Ik ben Abdullah (de dienaar van Allah) en de broeder van Zijn Boodschapper. Niemand heeft dat voor mij gezegd en niemand zal het na mij zeggen behalve een grote leugenaar en vervalser”.

“De Boodschapper van Allah ﷺ sloot in Makkah een verbond van broederschap tussen Abu Bakr As-Siddiq en ‘Umar bin Al-Khattab. Toen de Boodschapper van Allah ﷺ in Al-Madinah aankwam, maakte hij die broederschap (d.w.z. onder de metgezellen) ongeldig, op het verbond van broederschap tussen hem en ‘Ali bin Abi Talib en het verbond dat tussen Hamza bin Abdul Muttalib en Zaid bin Haritha bestond, na. Hij zei: Het werd overgeleverd van Jabir bin Abdullah bin ‘Amr bin Haram Al-Ansari: “Dat toen de Boodschapper van Allah ﷺ het verbond van broederschap sloot tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar), hij een broederschap sloot tussen Abu Bakr As-Siddiq en Kharija bin Zaid bin Abi Zuhair Al-Khazraji” [Einde van het citaat].
“The Messenger of Allah (peace be upon him) made a pact of brotherhood in Makkah between Abu Bakr As-Siddiq and ‘Umar bin Al-Khattab. Then when the Messenger of Allah (peace be upon him) arrived in Al-Madinah, he invalidated that brotherhood (i.e. amongst the companions) apart for the brotherhood pact between him and ‘Ali bin Abi Talib and the pact which was between Hamza bin Abdul Muttalib and Zaid bin Haritha”. He said: It was related from Jabir bin Abdullah bin ‘Amr bin Haram Al-Ansari: “That when the Messenger of Allah (peace be upon him) made the brotherhood pact between the Muhajirin and the Ansar, he made a brotherhood between Abu Bakr As-Siddiq and Kharija bin Zaid bin Abi Zuhair Al-Khazraji” [End of Quote].
In “Al-Mufahhim lima Ashkala min Talkhees Kitaab Muslim” (21/38) werd het volgende vermeld:
In “Al-Mufahhim lima Ashkala min Talkhees Kitaab Muslim” (21/38) it was stated:

Abu ‘Umar zei: “Het juiste standpunt, zoals gehanteerd door de geleerden van Seera en de overleveringen met betrekking tot de ‘Mu’akhaah’ (broederschap) die de Boodschapper van Allah ﷺ sloot tussen de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar) toen hij naar Al-Madinah kwam, was dat dit plaatsvond na de bouw van de moskee en dat het gebaseerd was op het verlenen van bijstand/steun en de Haqq (waarheid) …” Hij vervolgde daarna met de details zoals eerder vermeld en zei toen: “Ik zei: En het is vermeld in het boek van Muslim, overgeleverd door Anas: ‘Dat hij een broederschap sloot tussen Abu ‘Ubaida bin Al-Jarrah en tussen Abu Talha’. Abu ‘Umar zei: Hij sloot een broederschap tussen Abu ‘Ubaida en Sa’d bin Mu’adh. En het eerste staat niet in het boek van Muslim …” [Einde van het citaat].
Abu ‘Umar said: “The correct view as held by the scholars of Seera and reports in respect to the “Mu’akhaah” (brotherhood) which the Messenger of Allah (peace be upon him) concluded between the Muhajirin (emigrants) and the Ansar (helpers), when he came to Al- Madinah, was that it took place after his building of the Masjid and it was upon the basis of the provision of assistance/support and the Haqq (truth) …” He then proceeded with it details as have previously been mentioned and then said: “I said: And it came stated in book of Muslim as related by Anas: “That he concluded a brotherhood between Abu ‘Ubaida bin Al-Jarrah and between Abu Talha”. Abu ‘Umar said: He concluded a brotherhood between Abu ‘Ubaida and Sa’d bin Mu’adh. And the first is not in the book of Muslim …” [End of Quote].
Ik zeg: Dat is niet noodzakelijkerwijs het geval. De uitspraak van Abu ‘Umar zou gebaseerd kunnen zijn op een aantal overleveringen die elkaar ondersteunen, terwijl er geen rationele of islamitische (Shar’i) belemmering (Mani’) is voor de Profeet ﷺ om tegelijkertijd een broederschap te hebben gesloten tussen Abu ‘Ubaidah en Sa’d bin Mu’adh en Abu Talha. Een persoon kan tegelijkertijd een aantal broers door bloedverwantschap hebben en dit zou hetzelfde kunnen zijn. Of hij ﷺ had eerst een broederschap gesloten tussen Abu ‘Ubaidah en Sa’d bin Mu’adh en sloot daarna een broederschap tussen hem en Abu Talha toen deze op een later tijdstip moslim werd. In ieder geval was het aantal helpers (Ansar) veel groter dan het aantal emigranten (Muhajirun) op dat moment, en zij streden onderling om de emigranten (Muhajirun) huisvesting te bieden en voor hen te zorgen. Zou het daarom vreemd zijn voor een emigrant (Muhajir) om meerdere broeders van de helpers (Ansar) te hebben?!
I say: That is not necessarily the case. The speech of Abu ‘Umar could be based upon a number of reports which support one another whilst there is no rational or Shar’iy (legal) prevention (Mani’) for the Prophet (peace be upon him) to have concluded a brotherhood between Abu ‘Ubaidah and Sa’d bin Mu’adh and Abi Talha at the same time. A person can have a number of brothers byu blood at the same time and this could be the same. Or he (peace be upon him) could have concluded a brotherhood between Abu ‘Ubaida and Sa’d bin Mu’adh first and then concluded a brotherhood between him and Abu Talha when he became Muslim at a later time. In any case, the number of the Ansar was much greater than the Muhajirin at that time and they were competing among themselves to provide accommodation to the Muhajirin and take care of them. Consequently, would it be strange for a Muhajir to have multiple brothers from the Ansar?!