3 Het intellectuele leiderschap van de Islam Deel 2
3 The Intellectual Leadership of Islam Part 2
Het intellectuele leiderschap van de Islam komt overeen met de menselijke natuur (fiTrah). Ondanks de diepgang is het gemakkelijk te begrijpen. Het hart en de geest van een mens worden er snel voor geopend, waarbij men er vurig naar streeft het te begrijpen en met waardering over de details te peinzen. Dit komt doordat religiositeit instinctief is in de mens. Elke mens is van nature religieus en geen enkele macht kan deze natuur (fiTrah) bij hem wegnemen, omdat het diep in hem geworteld is. De mens voelt van nature dat hij onvolledig is en dat er een grotere macht bestaat die heiligheid verdient. Het instinct van religiositeit bij de mens is de behoefte aan de Schepper, de Organiseerder, die voortvloeit uit zijn natuurlijke zwakheid. Dit instinct van religiositeit is constant en heeft een specifieke manifestatie, namelijk de heiliggewijding (taqdees). Bijgevolg is de mensheid religieus en heeft zij gedurende de hele geschiedenis altijd iets aanbeden. De mensheid heeft mensen, planeten, stenen, dieren, vuur en andere zaken aanbeden. De Islam kwam echter, met haar leer, om de mens weg te leiden van de aanbidding van geschapen zaken naar de aanbidding van Allah (SWT) die alles heeft geschapen. De komst van de materialistische ideologie, die het bestaan van Allah (SWT) en onze relatie met Hem (SWT) ontkent, kon geen einde maken aan deze aangeboren religiositeit. Het heeft echter het concept van de mens over een macht die groter is dan hijzelf, en over zijn heiliggewijding van deze macht, verschoven. Het heeft dat alles verschoven naar het concept van deze macht in mensen en maakte zijn heiliggewijding uitsluitend aan hen. Het is alsof het achteruitging, en de heiliggewijding van mensen verschoof van het aanbidden van Allah (SWT) naar het aanbidden van de dienaren (van Allah), weg van het vereren van de ayat van Allah (SWT) naar het vereren van de woorden van het geschapene. Dus het was in die zin achteruitgaand. Het kon de natuur (fiTrah) van religiositeit niet elimineren; het heeft deze eerder op bedrieglijke wijze naar achteren verschoven. Daarom is het intellectuele leiderschap van de materialistische ideologie (Communisme) een negatief leiderschap, dat in strijd is met de menselijke natuur. Daarom is het vanuit dit perspectief een mislukking. Het manipuleert de mensen enkel door in te spelen op hun maag. Het trekt de armen, de angstige en de verslagenen aan. Degenen die eraan vasthouden zijn zij die laag in hun denken staan, de mislukkelingen in het leven en de wresente tegen de wereld, en degenen die mentaal listig zijn en ernaar streven bekend te staan als intellectuelen wanneer zij praten over de theorie van de dialectiek, waarvan de onwaarheid en corruptie zo zichtbaar zijn door zowel het intellect als de realiteit. Het grijpt naar geweld om mensen te onderwerpen aan zijn ideologie. Daarom zijn onderdrukking, repressie, anarchie, onrust, vernietiging en instabiliteit de belangrijkste instrumenten ervan.
The intellectual leadership of Islam agrees with man's nature (fiTrah). In spite of its depth it is easily understood. One's heart and mind are quickly opened to it, eagerly trying to understand it and pondering over its details with appreciation. This is because religiousness is instinctive in man. Every man is religious by his nature and no power can remove from him this nature (fiTrah), because it is deeply rooted in him. Man, by nature, feels that he is incomplete and that there is a greater power which deserves to be sanctified. Man's instinct of religiousness is the need for the Creator the Organiser that arises from his natural weakness. This instinct of religiousness is constant and has a specific manifestation, which is the sanctification (taqdees). Consequently, mankind is religious and has always worshipped something throughout history. Humanity has worshipped man, planets, stones, animals, fire and other things. Islam, however, with its doctrine came to lead man away from worshipping created things to the worship of Allah (swt) who created everything. The advent of the materialistic ideology, which denies the existence of Allah (swt) and our relationship with Him (swt), could not put an end to this innate religiousness. However, it shifted man's conception of power greater than himself and of his sanctification of this power. It shifted all that to conceiving this power in men and made his sanctification to them alone. It is as if it went backward, and shifted people's sanctification from worshipping Allah (swt) to worshipping the servants (of Allah), away from venerating the ayat of Allah (swt) to venerating the words of the created. So it was backward in that regard. It could not eliminate the nature (fiTrah) of religiousness; it rather, deceitfully shifted it backward. Therefore, the intellectual leadership of the materialistic ideology (Communism) is a negative leadership, which disagrees with man's nature. Therefore it is a failure from this perspective. It only manipulates the people through appealing to their stomach. It attracts the poor, the scared and the defeated ones. Those who adhere to it are those low in their thinking, the failures in life and resentful of it and those mentally devious who aspire to be known as intellectuals when they chatter about the theory of dialectics whose falsehood and corruption are so visible by both the intellect and reality. It resorts to force to subjugate people to its ideology. Hence, oppression, suppression, anarchy, turmoil, destruction and instability are its most important instruments.
Het kapitalistische intellectuele leiderschap is eveneens in strijd met de menselijke natuur (fiTrah), zijnde het instinct van religiositeit. Dit komt doordat het instinct van religiositeit zich manifesteert in zowel de heiliggewijding als in het beheer van de menselijke aangelegenheden in het leven. De inconsistentie en tegenstrijdigheden treden op wanneer de mens dit beheer op zich neemt; wat getuigt van de onbekwaamheid van de mens. Bijgevolg moet de religie (Deen) (geopenbaard door de Schepper) de menselijke aangelegenheden in het leven beheren. Zo spreekt de scheiding van de religie (Deen) van het leven de menselijke natuur (fiTrah) tegen. De aanwezigheid van de religie (Deen) in het leven betekent niet dat de functies van het leven religieuze riten worden gemaakt. Integendeel, de aanwezigheid van de religie (Deen) in het leven betekent dat het systeem dat Allah (SWT) heeft bepaald, de problemen van de mens in het leven oplost. Dit systeem vloeit voort uit de geloofsleer (Aqeedah), die overeenstemt met de menselijke natuur (fiTrah). Het verwijderen van dit systeem en het vervangen ervan door een systeem dat voortvloeit uit een geloof dat in strijd is met het instinct van religiositeit, is in strijd met de menselijke natuur (fiTrah). Daarom faalt het intellectuele leiderschap van het kapitalisme vanuit het instinctieve (fiTriy) aspect, omdat het een negatief aspect is, aangezien het de religie (Deen) van het leven scheidt, religiositeit uit het leven verbant en het tot een individualistische kwestie maakt, en het systeem van Allah (SWT) dat Hij heeft bepaald, wegneemt bij het oplossen van de problemen van de mens.
The Capitalistic intellectual leadership likewise disagrees with man's nature (fiTrah) i.e. the instinct of religiousness. This is because the instinct of religiousness manifests itself in sanctification as well as in management of man's affairs in life. The inconsistency and contradictions appear when man undertakes this management; testifying to man's inability. Consequently, the deen (revealed from the Creator) must manage man's affairs in life. Thus the separation of the deen from life contradicts man's nature (fiTrah). The presence of the deen in life does not mean making the functions of life religious rites. Rather, the presence of the deen in life means making the system that Allah (swt) ordained, solve man's problems in life. This system emanates from the ‘aqeedah, which agrees with man's nature (fiTrah). Removing this system and replacing it with a system which emanates from a creed that disagrees with the instinct of religiousness disagrees with man's nature (fiTrah). Therefore, the intellectual leadership of Capitalism fails from the instinctive (fiTriy) aspect because it is a negative one, for it separates the deen from life, banishes religiousness from life and making it an individualistic issue and removes Allah's (swt) system which He ordained, from solving man's problems.
Het islamitische intellectuele leiderschap is positief, aangezien het de geest vestigt als de basis voor het geloof in het bestaan van Allah (SWT). Het vestigt de aandacht van de mens op de elementen van het universum, de mens en het leven om het bestaan van Allah (SWT), de Schepper van deze zaken, onomstotelijk en beslissend vast te stellen. Het definieert voor de mens de uiterste volmaaktheid waar hij van nature naar zoekt en die niet in hem, het leven of het universum bestaat, en richt de geest van de mens op deze uiterste (Opperste) macht, zodat hij Zijn bestaan realiseert en in Hem gelooft. Het communistische intellectuele leiderschap is gebouwd op materialisme en niet op het intellect, hoewel de geest dit concludeert. Het beschouwt dat materie bestaat vóór de gedachte en dat materie de oorsprong is van alle dingen, vandaar dat het materialistisch is. Het kapitalistische intellectuele leiderschap is echter gebaseerd op een compromisoplossing die werd bereikt na een bloedige strijd tussen de geestelijkheid en de intellectuelen, die vele eeuwen had geduurd, en het resulteerde in het idee van de scheiding van de religie (Deen) van de staat.
The Islamic intellectual leadership is positive since it establishes the mind as the basis for the belief in the existence of Allah (swt). It draws man's attention to the elements of the universe, man and life to conclusively and decisively establish the existence of Allah (swt), the Creator of these things. It defines for man the utmost perfection which he innately searches for and does not exist in him, the life, or the universe and directs man's mind to this utmost (Supreme) power so as to realise His existence and believe in Him The Communist intellectual leadership is built upon materialism and not the intellect though the mind concludes it. It considers that matter exists before thought and matter is the origin of all things, hence it is materialistic. The Capitalist intellectual leadership however, is based upon a compromise solution reached after a bloody struggle between the clergy and the intellectuals, which had lasted for many centuries and it resulted with the idea of separation of the deen from the state.
Daarom faalden zowel de communistische als de kapitalistische intellectuele leiderschappen, aangezien zij in strijd zijn met de natuur van de mens (fiTrah) en niet zijn gebouwd op het intellect.
Therefore, both the Communist and Capitalist intellectual leaderships failed since they contradict man's nature (fiTrah) and are not built upon the intellect.
Concluderend: van de drie intellectuele leiderschappen is alleen het islamitische intellectuele leiderschap juist, omdat het is gebouwd op het verstand, het in overeenstemming is met de menselijke natuur (fiTrah) en de mens er daardoor positief op reageert. Terwijl de andere intellectuele leiderschappen onjuist zijn omdat ze niet op het verstand zijn gebouwd en ze in strijd zijn met de menselijke natuur (fiTrah). Dat wil zeggen, het intellectuele leiderschap in het communisme is gebouwd op materialisme en niet op het verstand. Dit komt doordat het stelt dat materie voorafgaat aan het denken, oftewel dat het voorafgaat aan het verstand. Wanneer materie op de hersenen wordt gereflecteerd, initieert het het denken daarin, zodat het (de hersenen) denkt in de materie die erop werd gereflecteerd. Vóór de reflectie van de materie op de hersenen was er geen denken, en dienovereenkomstig is alles gebouwd op materie. Bijgevolg is de oorsprong van het communistische intellectuele leiderschap materie en niet het denken.
In conclusion, of the three intellectual leaderships, only the Islamic intellectual leadership is correct, because it is built upon the mind, it agrees with man's nature (fiTrah) and, thus man positively responds to it. While the other intellectual leaderships are false because they are not built upon the mind and they disagree with man's nature (fiTrah). That is, the intellectual leadership in communism is built on materialism and not on the mind. This is because it maintains that matter precedes thought i.e. it precedes the mind. Thus when matter is reflected onto the brain it initiates thought in it, so it (the brain) thinks in the matter that was reflected on it. Prior to the reflection of the matter onto the brain there was no thought, and accordingly everything is built upon matter. Consequently, the origin of the Communist intellectual leadership is matter and not thought.
Dit perspectief is om twee redenen onjuist: De eerste: Er is geen reflectie tussen materie en de hersenen; noch worden de hersenen gereflecteerd op de materie, noch wordt de materie gereflecteerd op de hersenen. Dit komt doordat reflectie vereist dat objecten zijn voorzien van de eigenschap van reflectie, zoals een spiegel, zodat reflectie kan plaatsvinden. Deze eigenschap is niet aanwezig in de hersenen of in de materie. Daarom is er helemaal geen sprake van reflectie tussen materie en de hersenen, omdat de materie niet op de hersenen wordt gereflecteerd, noch wordt overgedragen aan de hersenen. In plaats daarvan wordt de sensatie van de materie via de zintuigen naar de hersenen overgebracht. De sensatie van materie naar de hersenen is geen reflectie van materie naar de hersenen, noch een reflectie van de hersenen naar de materie; het is enkel de sensatie van de materie. In dit opzicht is er geen verschil tussen het gezichtsvermogen en de andere zintuigen bij het waarnemen van materie. Zo vindt sensatie plaats door te ruiken, te horen, te voelen en te proeven, net zoals het plaatsvindt door te zien. Wat er dus gebeurt is geen reflectie op de hersenen, maar eerder de sensatie van de dingen. Dienovereenkomstig neemt de mens dingen waar via zijn vijf zintuigen en worden dingen niet gereflecteerd op de hersenen.
This perspective is wrong for two reasons: The first: There is no reflection between matter and brain; neither the brain is reflected on matter, nor matter is reflected on the brain. This is because reflection requires that objects be endowed with the characteristic of reflection, such as a mirror, for reflection to happen. This characteristic is not possessed by the brain or by the matter. Therefore, there is no reflection at all between matter and the brain, because matter is not reflected on the brain, nor is it transferred to it. Rather, the sensation of the matter is transferred to the brain through the senses. The sensation of matter to the brain is not a reflection of matter to the brain, nor a reflection of the brain to matter; it is only the sensation of matter. In this regard there is no difference between sight and the other senses in the sensing of matter. Thus sensation occurs by smelling, hearing, touching and tasting as it occurs by seeing. Therefore, what happens is not reflection on the brain but rather it is sensation of the things. Accordingly, man senses things through his five senses and things are not reflected on the brain.
De tweede: Sensatie alleen produceert geen gedachte, maar produceert slechts sensatie, d.w.z. een sensatie van het tastbare object. Sensatie, plus sensatie, plus een miljoen sensaties zal nog steeds slechts een sensatie produceren en helemaal geen gedachte. Om te kunnen denken, moet de mens over voorafgaande informatie beschikken waarmee hij de waargenomen materie kan verklaren. Stel bijvoorbeeld dat een boek in de oude Syrische taal wordt gegeven aan iemand die geen voorafgaande informatie heeft over de Syrische taal, en al zijn zintuigen op het boek worden gericht, door zicht en tast, en dit een miljoen keer wordt herhaald, dan zou hij nog steeds geen enkel woord van het boek kunnen begrijpen, tenzij hem de relevante informatie over de Syrische taal wordt gegeven. Daarna zal hij beginnen met denken en begrijpen. Laten we een ander voorbeeld nemen van een kind met gezonde zintuigen maar zonder voorafgaande informatie. Als we voor het kind een stuk goud, messing en een steen zouden plaatsen en al zijn zintuigen deze dingen zouden laten waarnemen, dan zou het kind ze niet kunnen begrijpen, ongeacht hoe zeer deze sensatie werd gevarieerd en herhaald. Echter, als het kind voorafgaande informatie over deze zaken zou krijgen, zou hij deze informatie gebruiken om ze te begrijpen. Als het kind twintig jaar oud zou worden zonder enige informatie, zou hij hetzelfde blijven als op zijn eerste levensdag, ongeacht de biologische groei in de hersenen. Aangezien het niet de hersenen zijn die de mens in staat stellen om te begrijpen, maar eerder de voorafgaande informatie samen met de hersenen en het waargenomen object. Wat betreft het instinctieve gedrag, in tegenstelling tot het intellectuele proces bij de mens, resulteert dit als een loutere reactie op de instincten en organische behoeften, een zaak die zowel bij dieren als bij de mens voorkomt. Bijvoorbeeld, een baby herkent door hem herhaaldelijk een appel en een steen te geven, dat de appel gegeten kan worden terwijl de steen dat niet kan. Evenzo herkent de ezel dat gerst eetbaar is maar aarde niet. Dit onderscheid vindt niet plaats door middel van gedachte of intellect, maar door de reactie op de instincten en de organische behoeften die aanwezig zijn in dieren en de mens. Zo kan er geen gedachte worden geproduceerd, tenzij voorafgaande informatie wordt gekoppeld aan de overdracht van het waargenomen object via de zintuigen naar de hersenen.
The second: Sensation alone does not produce thought, but merely produces sensation i.e. a sensation of the tangible object. Sensation, plus sensation, plus a million sensations will still only produce a sensation and no thought at all. In order for man to think, he must have previous information through which he can explain the sensed matter. For example, if a book in the ancient Syriac language was given to someone who has no previous information about the Syriac language, and all his senses were made to fall on the book, by sight and touch, and this was repeated a million times, he still would not be able to understand a single word of the book unless he is given the relevant information about the Syriac language. Thereafter, he will start thinking and understanding. Let us take another example of a child with sound senses but with no previous information. If we were to place in front of the child a piece of gold, brass and a stone and make all his senses, sense these things the child would not be able to comprehend them, no matter how much this sensation was diversified and repeated. However, if the child was given previous information about them, he would use this information to comprehend them. Were the child to grow up to be twenty years of age without any information he would remain as his first day of life, regardless of the biological growth in the brain. Since it is not the brain that enables man to comprehend, rather it is the previous information together with the brain and the sensed object. As for the instinctual behaviour, in contrast to the intellectual process in man, it results as a mere response to the instincts and organic needs, a matter, which occurs with animals as well as man. For example, a baby recognises through giving him an apple and stone repeatedly, that the apple can be eaten while the stone cannot. Likewise, the donkey recognises that barley is edible but soil is not. This differentiation occurs not through thought or intellect, but through the response to the instincts and the organic needs, which are present in animals and man. Thus thought cannot be produced unless previous information is coupled with the transference of the sensed thing through the senses to the brain.
Overeenkomstig kan de geest, het intellect of het begrip worden gedefinieerd als de overdracht van een waargenomen object via de zintuigen naar de hersenen, en het bestaan van eerdere informatie waarmee deze realiteit wordt verklaard.
Accordingly, the mind, intellect, or comprehension can be defined as the transmission of a sensed object through the senses to the brain and the existence of previous information by which this reality is explained.
Daarom is het communistische intellectuele leiderschap zowel vals als onjuist, omdat het niet is gebouwd op de geest en de betekenis van het denken, en de opvatting van geest en denken in hun begrip onjuist is.
Therefore, the Communist intellectual leadership is both false and incorrect, because it is not built upon the mind and the meaning of the thought and mind in its understanding is false.
Het kapitalistische intellectuele leiderschap is gebouwd op een compromisoplossing waarover de geestelijkheid en de intellectuelen overeenstemming hebben bereikt na hun bloedige conflict dat vele eeuwen duurde. Deze compromisoplossing is de scheiding van de religie (Deen) van het leven, oftewel de impliciete erkenning van de religie (Deen) terwijl deze van het leven wordt gescheiden. Zo is het kapitalistische intellectuele leiderschap niet gebouwd op het verstand, maar is het eerder gebaseerd op deze compromisoplossing. Inderdaad, het idee van een compromis is diep geworteld in de kapitalisten die de waarheid (haqq) dicht bij de onwaarheid (baTil) brengen en geloof (Iman) dicht bij ongeloof (Kufr), het licht (nur) dicht bij de duisternis (DHalam). Dit is ondanks het feit dat de compromisoplossing niet bestaat, omdat de zaak ofwel de haqq is, ofwel de baTil, geloof (Iman) of ongeloof (Kufr) en licht of duisternis. Het compromis waarop zij hun leer en intellectuele leiderschap hebben gebouwd, heeft hen doen afwijken van de waarheid, het geloof (Iman) en het licht. Daarom is dit intellectuele leiderschap niet gebouwd op het verstand, en dus is het onwaar.
The Capitalist intellectual leadership is built on a compromise solution agreed upon by the clergy and the intellectuals after their bloody conflict which lasted for many centuries. This compromised solution is the separation of the deen from life i.e., the implicit acknowledgement of the deen while separating it from life. Thus, the Capitalist intellectual leadership is not built on the mind, it is rather based on this compromise solution. Indeed, the idea of a compromise is deeply rooted in the Capitalists who draw the truth (haqq) near to the falsehood (baTil) and imaan near to Kufr, the light (nur) near the dark (DHalam). This is despite the fact that the compromise solution does not exist because the matter is either the haqq or the baTil, imaan or Kufr and light or darkness.The compromise on which they have built their doctrine and intellectual leadership has made them swerve from the truth, the iman and the light. Therefore, this intellectual leadership is not built on the mind thus it is false.
Echter, de islamitische leer is gebouwd op het verstand, omdat het de moslim verplicht om door het gebruik van het verstand te geloven in het bestaan van Allah (SWT), in het profentschap van Muhammad ﷺ en de Qur'an. Het verplicht de moslim om te geloven in de onzichtbare (Ghayb) (zaken buiten de zintuigen) op voorwaarde dat het wordt vermeld in een bron die rationeel onomstotelijk is bewezen, zoals de Qur'an of een massaal overgeleverde (Mutawatir) overlevering (Hadith). Zo is het islamitische geloof gebaseerd op het intellect. Dit is vanuit het rationele perspectief. Echter, met betrekking tot de menselijke natuur (fitrah), stemt de islamitische intellectuele leiding overeen met de menselijke natuur (fitrah), aangezien het het bestaan van de religie (Deen) erkent, de noodzaak ervan in het leven en de verplichting om het leven te leiden volgens de geboden en verboden van Allah (SWT). Religiositeit is aangeboren (fitri) in de mens, aangezien het een van de instincten van de mens is met een eigen respons, namelijk heiligverklaring, wat een natuurlijke reactie is op een specifiek instinct dat verschilt van alle andere reacties van andere instincten. Zo is het geloof in de religie (Deen) en de verplichting om te leven volgens de geboden en verboden van Allah (SWT) instinctief. Het komt overeen met de menselijke natuur (fitrah) en reageert daarom positief op de mens.
However, the Islamic doctrine is built upon the mind, because it obliges the Muslim to believe in the existence of Allah (swt), in the Prophethood of Muhammad (saw) and the Qur'an, through the use of the mind. It obliges the Muslim to believe in the ghaib, (things beyond the senses) on the condition that it is mentioned in a source which was conclusively proven rationally like the Qur'an or hadith mutawatir. Thus, the Islamic creed is based upon the intellect. This is from the rational perspective. However with regards to man's nature (fiTrah), the Islamic intellectual leadership agrees with man's nature (fiTrah) since it recognises the existence of deen, its necessity in life and the obligation to manage life according to the commands and prohibitions of Allah (swt). Religiousness is innate (fiTriy) in man since it is one of man's instincts with its own response, namely sanctification, which is a natural response to a specific instinct that differs from all the other responses of other instincts. Thus, the belief in deen and the obligation to live according to the commands and prohibitions of Allah (swt) is instinctive. It agrees with man's nature (fiTrah) and therefore responds positively to man.
Dit verschilt van de communistische en de kapitalistische leiderschappen, die elk in strijd zijn met de menselijke natuur (fiTrah). Het communistische intellectuele leiderschap ontkent het bestaan van religie (Deen) absoluut en verzet zich tegen de erkenning ervan. Dienovereenkomstig spreekt het de menselijke natuur (fiTrah) tegen. Het kapitalistische intellectuele leiderschap erkent religie (Deen) noch ontkent het deze. Het maakt de erkenning of ontkenning van religie (Deen) niet tot een onderwerp van discussie. Het houdt echter vast aan de scheiding van religie (Deen) van het leven en pleit ervoor dat het leven wordt beheerd op basis van nut, zonder enige relatie met religie (Deen). Daarom spreekt het de menselijke natuur (fiTrah) tegen. Dit is in strijd met de natuur (fiTrah) en staat er ver van verwijderd.
This differs from the Communist and the Capitalistic leaderships, each of which disagrees with man's nature (fiTrah). The Communist intellectual leadership denies the existence of deen absolutely and opposes its recognition. Accordingly, it contradicts man's nature (fiTrah). The Capitalist intellectual leadership neither recognises nor denies deen. It does not make the recognition or denial of deen an issue for discussion. However, it insist on the separation of deen from life and advocates that life be managed according to benefit with no relation to deen. Therefore, it contradicts man's nature (fiTrah). This disagrees with the nature (fiTrah) and stands far away from it.
Het islamitische intellectuele leiderschap is daarom het enige juiste intellectuele leiderschap, omdat het in overeenstemming is met de menselijke natuur en het verstand; alle andere intellectuele leiderschappen zijn vals. Dienovereenkomstig is het islamitische intellectuele leiderschap het enige juiste en succesvolle intellectuele leiderschap.
The Islamic intellectual leadership therefore, is the only correct intellectual leadership because it agrees with man's nature and mind; all other intellectual leaderships are false. Accordingly, the Islamic intellectual leadership is the only correct and successful intellectual leadership.
Eén vraag blijft over: hebben de moslims de islam geïmplementeerd, of hebben zij slechts de leer ervan aanvaard terwijl zij andere systemen en wetten toepasten? Het antwoord op deze vraag is dat de moslims door alle tijden heen slechts de islam hebben geïmplementeerd, vanaf de aankomst van de Boodschapper (Rasul) Allah naar Madinah tot 1336 A.H., oftewel 1918 n.Chr., toen de islamitische staat instortte onder de handen van het kolonialisme. De implementatie van de islam door de moslims was allesomvattend en het succes ervan in hun allesomvattende implementatie was overweldigend.
One question remains: Did the Muslims implement Islam, or did they only embrace its doctrine while implementing other systems and laws? The answer to this question is that Muslims implemented only Islam through all the ages from the arrival of Rasool Allah to Madinah until 1336 A.H i.e. 1918 C.E when the Islamic State collapsed at the hands of colonialism. The Muslims implementation of Islam was comprehensive and its success in their comprehensive implementation was overwhelming.
De praktische uitvoering van de islam wordt ondernomen door twee entiteiten die de verantwoordelijkheid dragen om het systeem te implementeren. Dit zijn: de rechter, die verantwoordelijk is voor het beslechten van geschillen tussen mensen, en de heerser, die het volk bestuurt. Er is via opeenvolgende overleveringen (tawatur) overgeleverd dat de rechters die de geschillen tussen mensen beslechten, vanaf de tijd van de Boodschapper ﷺ tot het einde van het kalifaat in Istanbul, de geschillen in alle zaken beslechten volgens de wetten van de sharia. Dit gold ongeacht of de geschillen tussen moslims waren of tussen moslims en niet-moslims. De rechtbanken die geschillen beslechten, zoals inbreuk op rechten, familiezaken, strafrechtelijke vervolging, enzovoort, vielen onder één enkele rechtbank gebaseerd op uitsluitend de islamitische sharia. Niemand heeft ooit gerapporteerd dat zelfs één zaak is beslecht volgens iets anders dan de regels van de islamitische sharia, of dat zelfs één rechtbank in de islamitische landen ooit heeft geoordeeld met iets anders dan de islam, voordat de rechtbanken werden verdeeld in shar’ai en nizami (civiel) onder de reguliere invloed van het kolonialisme. Het duidelijkste bewijs hiervan is te vinden in de registers van de shar’ai-rechtbanken die bewaard zijn gebleven in de oude steden Jeruzalem, Baghdad, Damascus, Caïro en Istanbul enzovoort. Deze registers zijn een sluitend bewijs dat uitsluitend de sharia werd toegepast door de rechters. Zelfs niet-moslims bestudeerden en schreven islamitische fiqh (Fiqh), zoals Saleem al-Baz, die een commentaar schreef op al-Majallah. Wetten die werden ingevoerd richting het einde van de staat, werden ingevoerd op basis van de fatwa van de geleerden dat dergelijke wetten niet in strijd zijn met de Ahkam Shari’ah. Gevolgelijk werd het 'Uthmani strafwetboek ingevoerd voor toepassing in 1275 A.H (1857 n.Chr.) en de Wet op Rechten en Handel werd ingevoerd in 1276 A.H (1858 n.Chr.). Dit werd in 1288 A.H (1870 n.Chr.) gevolgd door de verdeling van de rechtbanken in tweeën: sharia-rechtbanken en officiële rechtbanken, en er werd een decreet uitgevaardigd om deze verdeling te regelen. In 1295 A.H (1877 n.Chr.) werd een wet uitgevaardigd om statutaire rechtbanken te reguleren. In 1296 A. In 1878 n.Chr. werd de procedure voor rechten en straffen uitgevaardigd. Aangezien de geleerden (Ulama) geen rechtvaardiging vonden om het burgerlijk recht te gebruiken, werd dit opzijgeschoven en werd het Shari’ah-magazine (al-Majallah) uitgevaardigd in 1286 A.H. (1868 n.Chr.) als een canon voor transacties. Al deze canons werden uitgevaardigd als regels die door de islam zijn toegestaan en werden niet ingevoerd, behalve, zoals duidelijk uiteengezet in de decreten die de canons introduceerden, nadat er een fatwa was gegeven om ze toe te staan en nadat ze waren toegestaan door de Sheikh al-Islam. De koloniale autoriteiten hebben sinds 1818 n.Chr. enkele islamitische gebieden bezet en beslechten geschillen over burgerzaken volgens niet-islamitische wetten. Terwijl die landen die niet fysiek door koloniale legers werden bezet, hoewel ze onder hun invloed staan, tot onlangs volgens de islam bleven regeren op juridisch gebied, zoals Afghanistan en het Arabisch schiereiland, d.w.z. Hijaz, Najd en Koeweit, hoewel de heersers in deze landen de islam niet langer implementeren. Dienovereenkomstig merken wij op dat de islam juridisch werd geïmplementeerd en dat er geen andere wet werd toegepast in de rechtspraak gedurende alle tijdperken van de islamitische staat.
De implementatie van de islam door de heerser wordt vertegenwoordigd in de Ahkam Sharai'ah met betrekking tot vijf gebieden: sociaal, economisch, onderwijs, buitenlandse zaken en bestuur. De Ahkam Sharai'ah met betrekking tot deze zaken werden allemaal door de staat geïmplementeerd. Het sociale systeem definieert de relatie tussen mannen en vrouwen en de zaken die voortvloeien uit deze relatie, namelijk de persoonlijke status. Alleen de sharia wordt nog steeds toegepast in het sociale systeem, ondanks de aanwezigheid van de koloniale machten in de islamitische landen en de aanwezigheid van ongeloof (Kufr) bewind; absoluut geen ander systeem is geïmplementeerd. Wat betreft het economische systeem, wordt dit op twee manieren vertegenwoordigd: ten eerste de manier waarop de staat publieke inkomsten innen om voor de zaken van het volk te zorgen, en ten tweede de manier waarop deze inkomsten worden uitgegeven. Wat het innen van inkomsten betreft, de staat int de armenbelasting (Zakah) die verschuldigd is over geld, land en vee als een verplichte aanbidding, en deze wordt uitsluitend verdeeld onder de acht categorieën die in de Qur'an worden genoemd. De staat heeft het armenbelasting (Zakah) fonds nooit gebruikt voor het beheren van haar uitgaven. De staat inde de noodzakelijke middelen voor haar uitgaven volgens de sharia. Zo inde zij grondbelasting (Kharaj) over het land, hoofdelijke belasting (Jizyah) van niet-moslims, en douanerechten in haar hoedanigheid als toezichthouder op de interne en externe handel. De staat inde geen middelen in, behalve volgens de sharia. Wat de verdeling van middelen betreft, had de staat een nafaqah-systeem (financiële ondersteuning) voor gehandicapten, stelde de safeeh (wilsonbekwame) en mubaddir (degene die zijn rijkdom uitgeeft aan verboden (Haram) zaken) onder voogdij en richtte logiespల in elke stad en langs de wegen naar de bedevaart in om de armen, behoeftigen en reizigers bij te staan. Deze overblijfselen zijn nog steeds te zien in grote moslimsteden. De uitgaven van de staat werden uitsluitend beheerst door de sharia en door geen enkel ander systeem. Elke tekortkoming die in dit veld opgemerkt kon worden, was te wijten aan nalatigheid en onjuiste toepassing, en niet aan het ontbreken van de uitvoering van de sharia.
The implementation of Islam by the ruler is represented in AHkam Sharai'ah related to five areas: social, economics, education, foreign affairs and ruling. The AHkam Sharai'ah relating to these matter were all implemented by the state. The social system defines the relationship between men and women and the matters that arise as a result of this relationship i.e. personal status. Alone the Shari’ah is still applied in the social system in spite of the presence of the colonial powers in the Islamic lands and the presence of Kufr ruling; definitely no other system has been implemented. Concerning the economic system, it is represented in two ways, firstly the way in which the state collects public revenue in order to look after the peoples affairs, secondly, the way in which this revenue is spent. As far as collecting revenue is concerned, the State collects the zakat due on money, land and livestock as an obligatory worship and is exclusively distributed amongst the eight categories mentioned in the Qur'an. The State never used the zakat fund for managing its expenditures. The State collected the necessary funds for its expenditures according to the Shari’ah. Thus, it collected kharaj over the land, jizyah from non-Muslims, and customs duties in its capacity as the supervisor over internal and external trade. The State did not collect funds except according to the Shari’ah. As for funds distribution, the state had a nafaqah system (financial support) for the disabled, placed the safeeh (incompetent) and mubaddir (the one who spends his wealth on haram) under guardianship and established lodgings in every city and along the roads to the pilgrimage to assist the poor, destitute and the travellers. These relics can still be seen in major Muslim cities. The State's expenditure was solely governed by the Shari’ah and by no other system. Any deficiency that may be noticed in this field was due to negligence and misapplication and not due to the absence of (shar’a) implementation.
De basis van het onderwijsbeleid was islamitisch en de islamitische cultuur vormde de basis van het curriculum. Er werd zorg gedragen voor het waarborgen dat vreemde culturen niet werden overgenomen als deze in strijd waren met de Islam. De verwaarlozing bij het openen van scholen richting de ondergang van de Ottomaanse staat was typerend voor alle islamitische landen in die tijd, vanwege de intellectuele achteruitgang die in die periode haar dieptepunt bereikte. In alle andere tijdperken van de Islamitische Staat was het algemeen bekend dat alleen het islamitische land de gebedsrichting (Qiblah) van de geleerden en studenten was. De universiteiten in Cordoba, Baghdad, Damascus, Alexandria en Cairo hadden een enorme invloed op het verloop van het onderwijs over de hele wereld.
The foundation of the educational policy was Islamic and the Islamic culture constituted the basis of the curriculum. Care was exercised to ensure that foreign culture was not adopted if it contradicted Islam. The neglect in opening schools towards the demise of the Ottoman state was typical of all the Islamic countries at that time, due to the intellectual decline which reached its lowest level in that period. In all the other ages of the Islamic State, it was well known that only the Islamic land was the qiblah of the scholars and students. The universities in Cordoba, Baghdad, Damascus, Alexandria and Cairo had a tremendous effect on the course of education throughout the world.
Het buitenlandse beleid van de Islamitische Staat was gebaseerd op de Islam. De Islamitische Staat bouwde haar relatie met alle andere staten op de basis van de Islam, en alle andere staten gingen met haar om als een Islamitische Staat. Al haar externe relaties waren gebaseerd op de Islam en het belang van de moslims. Het is over de hele wereld bekend dat het buitenlandse beleid van de Islamitische Staat een Islamitisch beleid was, in zodanige mate dat er geen bewijs voor nodig is.
The foreign policy of the Islamic State was founded upon Islam. The Islamic State built its relationship with all other states on the basis of Islam and all other states dealt with it as an Islamic State. All of its external relationships were based on Islam and the interest of Muslims. It is known all over the world that the foreign policy of the Islamic State was an Islamic policy, to the extent that no evidence is required.
Wat betreft het regeringssysteem is de structuur van de staat in de Islam gebaseerd op acht zuilen: de kalief, d.w.z. het staatshoofd, de gedelegeerde assistenten van de kalief (Mo'aawen TafweeD), de uitvoerende assistenten van de kalief (Mo'aawen Tanfeedh), de leider (Ameer) van jihad, de gouverneurs (Wulah), de rechters (QuDah), staatsafdelingen en de staatsvergadering (Majlis al-Ummah). Deze structuur heeft bestaan en moslims zijn nooit zonder een kalief geweest, totdat de ongelovige (Kafir) koloniale machten in handen van Mustafa Kemal het kalifaat (Khilafah) afschaftten in 1342 A.H (1924 n.Chr.). Het bestaan van een kalief voor de moslims was, voorafgaand aan de afschaffing, continu geweest. Telkens wanneer een kalief stierf of werd afgezet, werd hij opgevolgd door een ander, zelfs tijdens het tijdperk van verval. Aangezien de Islamitische Staat de kalief is, betekent dit dat wanneer er een kalief aanwezig is, de Islamitische Staat bestaat. Wat betreft zijn assistenten in het bestuur en de uitvoering, zij waren aanwezig in alle tijden en waren assistenten en geen viziers. Hoewel zij tijdens het 'Abbassid-tijdperk viziers werden genoemd, waren zij assistenten en bezaten zij totaal niet de capaciteiten van ministers (viziers) die in het democratische systeem aanwezig zijn; zij waren eerder assistenten in het bestuur en de uitvoering door autorisatie van de kalief, terwijl alle uitvoerende machten in de handen van de kalief lagen. Het bestaan van de gouverneurs (wulah), rechters (quDah) en staatsafdelingen was evident. Toen de kuffar de landen bezetten, liepen al hun zaken door en waren er daarin gouverneurs, rechters en staatsafdelingen, een zaak die geen enkel bewijs behoeft. Wat betreft de leider (Ameer) van jihad, hij hield de zaken van het leger gaande in zijn hoedanigheid als een Islamitisch leger over de hele wereld, en het was bekend dat het onoverwinnelijk was. Wat betreft de Majlis al-Ummah: na het tijdperk van de Khulafaa ar-Rashidun werd er niet veel aandacht aan haar bestaan besteed. De reden hiervoor is dat het een onderdeel is van de regeringsstructuur, maar niet een van de zuilen ervan. Raadpleging (Shura) is een van de rechten van de mensen jegens de kalief. Indien hij dit dus verwaarloost, zou hij nalatig zijn, maar het regeringssysteem zou nog steeds islamitisch blijven. Dit komt doordat de shura (raadpleging) in de islam bedoeld is om een mening te zoeken en niet om te regeren. Dit is in tegenstelling tot het parlementaire systeem in de democratie. Daarom is het duidelijk dat het islamitische regeringssysteem werd toegepast.
With regards to the ruling system, the structure of the state in Islam is established upon eight pillars: the Khaleefah, i.e., the head of State, the Khaleefah's delegated assistants (Mo'aawen TafweeD), the Khaleefah’s executing assistants (Mo'aawen Tanfeedh), the Ameer of Jihad, the Governors (Wulah), the Judges (QuDah)), state departments, and the state assembly (Majlis al-Ummah). This structure existed and Muslims have never been without a Khaleefah until at the hands of Mustapha Kemal, the disbelieving (Kafir) colonial powers abolished the Khilafah in 1342 A.H (1924 C.E). The existence of a Khaleefah for the Muslims, prior to its removal, had been continuous. Whenever a Khaleefah died or was removed, he was succeeded by another, even during the era of decline. Since the Islamic State is the Khaleefah, it means that when a Khaleefah is present the Islamic State exists. As for his assistants in ruling and execution they were present in all ages and were assistants and not wazirs. Although, they were named wazirs during the 'Abbassid era they were assistants and did not possess the capacity of ministers (wazirs) present in the democratic system at all, they were rather assistants in ruling and execution by authorisation from the Khaleefah, while all the executive powers were in the hands of the Khaleefah. The existence of the governors (wulah), judges (quDah) and state departments was obvious. When the kuffar occupied the lands, all their affairs had been running and there were therein governors, judges and state departments, a matter that does not need any evidence. As for the ameer of jihad, he used to run the affairs of the army in its capacity as an Islamic army all over the world, it was known to be undefeated. With regards to the Majlis al-Ummah, after the era of the Khulafaa ar-Rashidun, its existence was not given much attention. The reason for that is that it is one of the ruling structure but not one of its pillars. Shura is one of the rights of the people upon the Khaleefah. Thus, if he neglects it he would be negligent, but the ruling system would still remain Islamic. This is because the shura (consultation) in Islam is for seeking the opinion and not for ruling. This is contrary to the parliamentary system in democracy. Therefore, it is clear that the Islamic ruling system was applied.
Er kan een vraag opkomen met betrekking tot de eed van trouw (Bay’ah) aan de kalief. Het is een vaststaand feit dat er geen erfelijk systeem bestond in het kalifaat. Met andere woorden, het erfelijke systeem was niet gevestigd in de staat, waarbij de heerschappij, oftewel het leiderschap van de staat, werd verkregen zoals in een monarchie het geval is. In plaats daarvan werd het leiderschap van de staat verkregen door het ontvangen van de eed van trouw (Bay’ah) van de moslims in sommige tijdperken, van de invloedrijke mensen (ahle al-halli wal-'aqd) in latere tijdperken, of zoals er gebeurde richting het einde van de staat van de Sheikh al-Islam. Gedurende de tijden van de Islamitische Staat was de procedure dat er geen kalief werd aangesteld zonder het ontvangen van de eed van trouw (Bay’ah). Er is nooit een enkel incident gerapporteerd waarbij de kalief door erfopvolging werd aangesteld zonder het ontvangen van de eed van trouw (Bay’ah). Desondanks werd de wijze waarop de eed van trouw (Bay’ah) werd verkregen, verkeerd toegepast. Zo zou een kalief voor zijn dood een eed van trouw (Bay’ah) van het volk nemen voor zijn zoon, broer, neef, of enig ander individu uit de familie. Na de dood van de kalief werd de eed van trouw (Bay’ah) voor die persoon vernieuwd. Dit is een verkeerde toepassing van de eed van trouw (Bay’ah), maar het vormt noch een erfelijke heerschappij, noch een troonopvolging. Evenzo wordt de verkeerde toepassing van verkiezingen in een parlementair of democratisch systeem nog steeds verkiezingen genoemd en geen benoeming, zelfs als de door de regering gesteunde kandidaten de verkiezingen winnen. Bijgevolg moet men erkennen dat het Islamitische systeem gedurende alle perioden van de Islamitische Staat werd toegepast.
A question may arise concerning the bai’ah (pledge) to the Khaleefah. It is an established fact that there was no hereditary system in the Khilafah. In other words, the hereditary system was not established in the state, by which ruling i.e. the state leadership was acquired as is the case in the monarchy. Instead, the State leadership would be acquired through receiving the bai’ah from the Muslims in some eras, from the influential people (ahle al-halli wal-'aqd) in later eras or as what occurred towards the demise of the state from the Sheikh al-Islam. Throughout the ages of the Islamic State, the procedure was that no Khaleefah was appointed without receiving bai’ah. Never was a single incident reported that the Khaleefah was appointed through inheritance without receiving bai’ah. However, notwithstanding this, the manner of attaining bai’ah was misapplied. Thus, a Khaleefah would take a bai’ah from the people before his death for his son, brother, cousin, or any other individual of the family. After the death of the Khaleefah the bai’ah was renewed for that person. This is a misapplication of the bai’ah but it neither constitutes hereditary rule or succession to the throne. Likewise, the misapplication of the elections in a parliamentary or a democratic system is still called elections and not an appointment even if the government-backed candidates succeed in the elections. Consequently, one must acknowledge that the Islamic system was applied throughout all periods of the Islamic State.
Wat betreft het praktische succes van het islamitische intellectuele leiderschap, was dit zonder weerga, in het bijzonder in de volgende twee zaken: Ten eerste heeft de islamitische ideologie alle Arabieren getransformeerd van een laag intellectueel niveau, waarin zij willekeurig handelden in de duisternis van bloedige familievetes en onwetendheid, naar een tijdperk van intellectuele herleving die schitterde in het licht van de Islam, waarvan de zonsopgang niet beperkt was tot de Arabieren maar over de hele wereld heerste. Moslims haastten zich om de Islam aan de wereld over te dragen, waarbij zij in dat proces over Perzië, Irak, de landen van ash-Sham, Egypte en Noord-Afrika heersten. Elk van deze volkeren had zijn eigen religie, nationaliteit, taal, gebruiken en tradities. Ze waren allemaal van elkaar verschillend. De nationaliteit van de Perzen verschilde van die van de Romeinen van Sham, van die van de Koptische mensen van Egypte en van die van de Berbers van Noord-Afrika. Zodra zij onder het bewind van de Islam leefden en deze begrepen, omarmden zij deze allemaal en werden zij één natie (Ummah), de islamitische moslimgemeenschap (Ummah). Daarom was het succes van het islamitische intellectuele leiderschap in het versmelten van deze volkeren en nationaliteiten tot één natie ongeëvenaard. Dit is ondanks het feit dat het vervoermiddel in die tijd de kameel was en het communicatiemiddel het gesproken woord en het schrijven met de pen.
As for the practical success of the Islamic intellectual leadership, it was without parallel particularly in the following two matters: Firstly, the Islamic ideology transferred all of the Arabs from a low level of intellect in which they were acting haphazardly in the darkness of bloody family feuds and ignorance to an age of intellectual revival glittering in the light of Islam whose sunrise was not restricted to the Arabs but prevailed all over the world. Muslims rushed in conveying Islam to the world, putting their hands in the process over Persia, Iraq, the lands of ash-Sham, Egypt and North Africa. Each of these peoples had their own religion, nationality, language, customs and traditions. All were different from one another. The nationality of Persians differed from that of the Romans of Sham, from that of the Copts of Egypt and from that of the Berbers of North Africa. Once they lived under the rule of Islam and understood it, they all embraced it and became one nation (Ummah), the Islamic Ummah. Therefore the success of the Islamic intellectual leadership in melting these peoples and nationalities into one nation was unparalleled. This is in spite of the fact that the means of transportation at the time was the camel and the means of communication was the word of the mouth and the writing of the pen.
Al-FatH (overwinning) was echter bedoeld om de fysieke obstakels met geweld te verwijderen, zodat mensen vrije toegang zouden krijgen tot datgene waar hun geest en hun aangeboren natuur (fiTrah) hen toe leidden. Op deze wijze traden mensen in massa tot de Islam. Aan de andere kant vervreemdt de onderdrukkende verovering (fatH) van landen de veroveraars van de overwonnenen. Zo duurde bijvoorbeeld de kolonisatie van het Oosten door het Westerse imperialisme decennia zonder enig resultaat te boeken. Als het niet was voor de invloed van de misleidende Westerse cultuur en de onderdrukking door haar agenten, die spoedig zal verdwijnen, dan zou de terugkeer naar het domein van de Islam in haar ideologie en systeem sneller gaan dan een oogwenk. Dienovereenkomstig is het succes van het Islamitische intellectuele leiderschap in het smeden van alle verschillende volkeren tot één Islamitische moslimgemeenschap (Ummah) ongeëvenaard. Deze volkeren zijn tot op de dag van vandaag moslim gebleven, ondanks de rampen, boosaardigheid en planning van de kolonialisten om de geloofsovertuigingen te corrumperen en de gedachten te vergiftigen. Deze mensen zullen één Islamitische natie (Ummah) blijven tot de Dag des Oordeels. Het is nooit voorgekomen dat een volk (of etnische groep) dat de Islam had aanvaard, daarvan was afgevallend geworden.
Al-FatH (conquer), however was to remove by force the physical obstacles to give the people free access towards what their minds and their innate (fiTrah) guides them to. In this manner people entered Islam in masses. On the other hand, the oppressive conquering (fatH) of countries alienates the conquerors from the conquered. For example, the colonisation of the East by Western imperialism lasted for decades without gaining any result. If it was not for the influence of the deceptive Western culture and the oppression of its agents which will soon vanish, then the return to the domain of Islam in its ideology and system would be quicker than the blink of an eye. Accordingly, the success of the Islamic intellectual leadership in forging all the various peoples into one Islamic Ummah is without parallel. These peoples have remained as Muslims to this day, in spite of the colonialists calamities, wickedness and planning in corrupting the creeds and poisoning the thoughts. These people will remain one Islamic nation (Ummah) till the Day of Judgement. It has never happened that any people (or ethnic group) which had embraced Islam have apostatised from it.
Wat betreft de moslims van Andalus (Spanje), zij werden uitgemoord door de Inquisitie, de guillotine en verbrand in de ovens van de beulen. De moslims van Bukhara, de Kaukasus en Turkistan ontmoetten hetzelfde rampzalige lot als hen die hen voorgingen. Het feit dat deze mensen de Islam omarmden en één moslimgemeenschap (Ummah) werden die bezorgd was om haar geloofsleer (Aqeedah) te beschermen, dient als bewijs voor de mate van succes van het islamitische intellectuele leiderschap en de toepassing van de Islam door de Islamitische Staat.
As for the Muslims of Andalus (Spain), they were massacred by the Courts of Inquisition, the guillotine and burnt in the ovens of the executioners. The Muslims of Bukhara, the Caucasus and Turkistan met with the same disastrous fate as those before them. The fact that these people embraced Islam and became one Ummah that was concerned to protect her ‘aqeedah, portrays, as evidence the degree of success of the Islamic intellectual leadership and the application of Islam by the Islamic State.
Het tweede punt, dat het succes van deze ideologie aantoont, is het feit dat de islamitische moslimgemeenschap (Ummah) de leidende natie in de wereld was wat betreft beschaving, materiële vooruitgang, cultuur en wetenschap. Gedurende twaalf eeuwen, lopend van de zevende eeuw n.Chr. tot het midden van de achttiende eeuw n.Chr., bleef de islamitische staat de leidende en machtigste staat ter wereld. Gedurende deze periode was zij de bloem van de wereldbol en de opkomende zon onder de naties, een feit dat het succes van dit intellectuele leiderschap en het succes van de islam in het implementeren van haar systeem en geloofsleer (Aqeedah) bij de mensen bevestigt. Toen de islamitische staat en moslimgemeenschap (Ummah) stopten met het dragen van haar intellectuele leiderschap en tekortschoten in het begrijpen en toepassen van de islam, raakte zij in verval en ging zij achterop bij andere naties.
The second matter, which denotes the success of this ideology, is the fact that the Islamic Ummah was the leading nation in the world in respect to civilisation, material advancement, culture and science. For twelve centuries, dating from the seventh century C.E to the middle of the eighteenth century C.E, the Islamic State remained as the leading and most powerful state in the world. Throughout this period it was the flower of the globe and the rising sun amongst the nations, a fact that confirms the success of this intellectual leadership and the success of Islam in implementing its system and ‘aqeedah upon the people. When the Islamic State and Ummah abandoned carrying its intellectual leadership and fell short in understanding and applying Islam, it lapsed and declined among other nations.
Daarom zeggen wij dat alleen het islamitische intellectuele leiderschap correct is en dat dit alleen naar de wereld toe gebracht moet worden. Wanneer de Islamitische Staat, die dit leiderschap draagt, wordt gevestigd, zal het succes van dit leiderschap vandaag de dag worden gerealiseerd, zoals het voorheen was.
Therefore, we say that only the Islamic intellectual leadership is correct and it alone should be carried to the world. When the Islamic State, which carries this leadership, is established, the success of this leadership will be realised today as it was before.
We hebben bewezen dat de Islam met haar geloofsleer (Aqeedah) en het systeem dat daaruit voortvloeit, overeenstemt met de natuur van de mens (fiTrah). Bijgevolg beschouwt de Islam de mens niet als een mechanisch wezen dat nauwkeurig functioneert als een machine en het systeem implementeert op basis van fijne wiskundige maten zonder ongelijkheid. Integendeel, vanuit het Islamitische perspectief is de mens een sociaal wezen dat het systeem toepast met variërende vermogens en kwaliteiten. Het is daarom natuurlijk voor de Islam om enerzijds de kloof tussen mensen te verkleinen zonder iedereen gelijk te maken, terwijl er rust voor allen wordt gegarandeerd. Anderzijds is het ook natuurlijk om individuen te vinden die afwijken van het systeem en er dus niet aan voldoen, en anderen die niet reageren of zich van het systeem afkeren. Onvermijdelijk zullen er in de samenleeling kwaaddoeners (fussaq), mensen die zich overgeven aan ondeugden (fujjar), ongelovigen (Kuffar), hypocrieten (munafiqoon), afvalligen (murtaddun) en atheïsten (mulhidoon) zijn. Het belangrijke is dat de samenleving als geheel, vanuit het oogpunt van haar gedachten, emoties, systemen en mensen, wordt beschouwd als een Islamitische samenleving, die de Islam toepast wanneer deze elementen zich als Islamitisch manifesteren.
We have proven that Islam with its ’aqeedah and it's system, which emanates from it, agrees with man's nature (fiTrah). Consequently, Islam does not view man as a mechanical being functioning accurately like a machine and implementing the system on the basis of fine mathematical measures without disparity. On the contrary, from the Islamic perspective man is a social being who applies the system with varying capabilities and qualities. Thus, it is natural for Islam, on the one hand, to narrow the gap between people without making everyone equal while guaranteeing tranquillity for all. On the other hand, it is also natural to find some individuals who deviate from the system and thus don't comply with it and others who do not respond or who turn away from the system. Inevitably, there will be in the society evildoers (fussaq), people who indulge in vices (fujjar), unbelievers (kuffar), hypocrites (munafiqoon), apostates (murtaddun) and atheists (mulhidoon). The important thing is that the society as a whole, from the point of view of its thoughts, emotions, systems and people, is considered as an Islamic society, which applies Islam when these elements manifest themselves as Islamic.
Het bewijs hiervoor is dat het voor niemand onmogelijk is om een systeem toe te passen op het niveau van de toepassing van Muhammad ﷺ. Ondanks dit het geval was, waren er in zijn ﷺ tijd ook ongelovigen, hypocrieten, afvalligen, atheïsten, kwaaddoeners en mensen die zich overgaven aan ondeugden. Daarom kan niemand beweren dat de Islam niet volledig werd toegepast of dat de samenleving niet-Islamitisch was. Toch is de Islamitische toepassing gericht op de mens als een sociaal wezen, niet als een mechanisch wezen.
The evidence for this is that it is impossible for anyone to apply a system at the level of Muhammad (saw)'s application. In spite of this, at his (saw)'s time there were also disbelievers, hypocrites, apostates, atheists, evildoers and people who indulged in vices. Therefore, no one can claim that Islam was not applied completely or that the society was non-Islamic. Yet the Islamic application is on man as a social being, not a mechanical being.
Islam bleef worden toegepast op de gehele moslimgemeenschap (Ummah), Arabieren en niet-Arabieren, van de tijd dat de Profeet ﷺ zich in Madinah vestigde tot de koloniale machten de islamitische landen bezetten en de islam vervingen door het kapitalistische systeem.
Islam continued to be applied on the entire Islamic Ummah, Arab and non-Arabs, from the time Prophet settled down in Madinah till the colonial powers occupied the Islamic lands and replaced Islam with the Capitalist system.
Zo werd de islam toegepast vanaf het eerste jaar van de emigratie (Hijrah) tot 1336 AH (1918 n.Chr.) en de moslimgemeenschap (Ummah) paste gedurende deze periode geen enkel systeem toe behalve de islam.
Thus, Islam was implemented from the first year of the Hijrah until 1336A.H (1918 C.E) and the Islamic Ummah did not apply any system other than Islam throughout this period.
Hoewel de moslims boeken over filosofie, wetenschap en verschillende vreemde culturen naar het Arabisch vertaalden, vertaalden zij nooit wetgeving, systemen of canons van andere naties, noch voor onderzoek noch voor toepassing. Aangezien de Islam als een systeem wordt beschouwd, pasten sommigen het goed toe en anderen pasten het verkeerd toe. Dit hing af van de kracht of zwakte van de staat en van de mate van haar begrip van de Islam of het gebrek aan begrip, en ervan of zij sterk of laks was in het dragen van haar intellectuele leiderschap. Gevolgelijk bracht de verkeerde toepassing van de Islam in sommige tijdperken een zekere neergang in de islamitische samenleving teweeg, maar dit is iets wat geen enkel systeem kan vermijden, omdat de toepassing van het systeem afhangt van menselijke wezens. De verkeerde toepassing betekent echter niet dat de Islam niet werd geïmplementeerd. Zeker weten werd de Islam geïmplementeerd en werd er geen enkel ander systeem of ideologie toegepast. Dit komt doordat het cruciale punt ligt in de toepassing van canons en systemen die door de staat zijn ingesteld. In dit opzicht heeft de staat geen enkele canon of systeem aangenomen dat vreemd was aan de Islam. Wat er gebeurde, was de verkeerde toepassing van sommige van haar regels door sommige heersers. Desondanks moet men twee punten in acht nemen bij het onderzoeken van de implementatie van de Islam door haar geschiedenis heen. Het eerste punt is dat de geschiedenis niet moet worden overgenomen van de vijanden van de Islam die haat tegen haar koesteren. In plaats daarvan moet de geschiedenis worden overgenomen van de moslims zelf na uitgebreid onderzoek, om te voorkomen dat men een vertekend beeld aanneemt. Het tweede punt is dat de generalisatie in het onderzoek van de samenleving niet moet worden afgeleid uit de geschiedenis van individuen of uit één aspect van de samenleving. Het zou bijvoorbeeld fout zijn om een oordeel te vellen over de geschiedenis van het Ummayad-tijdperk door de geschiedenis van het tijdperk van Yazid te bestuderen. Of om een oordeel te vellen over de geschiedenis van het Abbassid-tijdperk op basis van enkele incidenten van hun kaliefen. Evenzo mogen wij de samenleving van het Abbassid-tijdperk niet beoordelen op basis van Kitab al-aghani (het boek van de liederen), dat werd geschreven om de verhalen te vertellen van roekeloos extravagante mensen, dichters en auteurs, of op basis van het lezen van de boeken over ascese (zuhd) en dergelijke, en daardoor gaan denken dat de gehele samenleving in een staat van extravagantie en zonde, of ascese en isolement verkeerde. In plaats daarvan moeten wij de gehele samenleving bestuderen. Wij moeten echter erkennen dat de volledige geschiedenis van de islamitische samenleving als samenleving in welk tijdperk dan ook, nooit is opgeschreven. Wat er wel is opgeschreven, zijn de aangelegenheden van de heersers en enkele functionarissen. Degenen die een dergelijke geschiedenis schreven, waren niet betrouwbaar; zij waren ofwel lasteraars ofwel smekelingen, en wat zij ook schreven, kan niet zonder onderzoek worden aanvaard.
Although the Muslims translated books of philosophy, science and different foreign cultures into Arabic, they never translated any legislation, system, or canon of other nations neither for research nor for application. Considering Islam to be a system, some people applied it well and others misapplied it. This depended on the strength or weakness of the state and on the degree of its comprehension of Islam or lack of understanding and according to whether it was strong or complacent in carrying its intellectual leadership. Consequently, the misapplication of Islam in some ages brought about some decline in the Islamic society, but this is something, which no system can avoid, because the application of the system depends on human beings. However, the misapplication does not mean that Islam was not implemented. Surely Islam was implemented and no other system or ideology was applied. This is because the crucial point is in the applying of canons and systems enacted by the state. In this respect the state did not adopt any canon or system alien to Islam. What occurred was the misapplication of some of its rules by some rulers. However, notwithstanding this, one must observe two points when examining the implementation of Islam throughout its history. The first point is that history must not be taken from the enemies of Islam who harbour hatred towards it. Instead history must be taken from Muslims themselves after an extensive research so as not to adopt a distorted image. The second point is that the generalisation in study of the society should not be taken from the history of individuals or from one aspect of the society. For example, it would be wrong to pass judgment on the history of Ummayad era by studying the history of Yazid's era. Or to pass judgment on the history of the Abbassid era from some incidents of their Khulafaa. Likewise, we must not pass judgment on the society of the Abbassid era from Kitab al-aghani (book of songs) which was written to narrate the stories of recklessly extravagant people, poets and authors or from reading the books of asceticism (zuhd) and the like and thus start thinking that the entire society was in a state of extravagance and sin or asceticism and isolation. Rather, we have to study the whole society. We have to acknowledge however that the whole history of the Islamic society as a society in any era was never written. What has been written rather is the affairs of the rulers and some officials. Those who wrote such history were not trustworthy, they were either slanderers or adulators and whatever they wrote can't be accepted without investigation.