21 Voogdij over het kind
21 Custody of the Child
Het verzorgen van het kind is verplicht (Fard) omdat het kan ten onder gaan als het wordt verwaarloosd. Het is op basis van het behoud van een leven dat Allah (SWT) het verplicht heeft gesteld, dus het moet beschermd worden tegen de dood en veilig zijn voor gevaar. Hoewel het verzorgen van het kind verplicht (Fard) is, vereist het recht op verwantschap het ook, omdat het kind recht heeft op die zorg, dus zowel het recht als de plicht zijn verbonden aan het voogdijschap. Het is het recht van elk kind en de plicht van iedereen tot wie Allah (SWT) de zorg heeft verplicht. Het is verplicht (Fard) voor de voogd wanneer niemand anders dan hij is aangewezen. Wat betreft het recht van degene op wie Allah (SWT) de voogdij heeft verplicht: bij het aanvaarden van deze voogdij is het specifiek voor degenen die hiervoor gekwalificeerd zijn en het is niet algemeen; het wordt dus niet toegekend aan degene bij wie het kind zeker zal ten onder gaan. Daarom wordt voogdij niet toegekend aan een kind of aan degene die krankzinnig is, omdat ieder van hen niet in staat is dit te ondernemen. Dit komt doordat zij zelf behoefte hebben aan voogdij, dus hoe zouden zij voor een ander kunnen zorgen? En het kan niet worden toegekend aan degene bij wie het kind zeker zal worden genegeerd, vanwege verwaarlozing of afleiding door eigen activiteiten die afbreuk doen aan hun vermogen om voor het kind te zorgen. Of omdat zij gekenmerkt worden door eigenschappen zoals Fisq (overtreding) bijvoorbeeld, wat van nature de opvoeding van het kind zal bederven, aangezien bederf wordt beschouwd als een vorm van vernietiging.
Taking care of the child is fard because it may perish if it is neglected. It is by way of preserving a life that Allah (swt) has made it obligatory, so it has to be protected from death and safe from danger. Even though caring for the child is fard, its right of kinship also requires it, because the child is entitled to that caring, so the right as well as the duty are related to the custody. It is the right of every child and the duty of everyone whom Allah (swt) has obliged to take care of Him. It is fard on the custodian when no one else has been assigned other than Him. As for the right of the one on whom Allah (swt) has obliged the custody, in assuming this custody, it is specific to those who are qualified for it and it is not general; so it is not given to the one with whom the child will surely perish. Therefore custody is not given to a child or the one that is insane, because each of them is unable to undertake it. This is because they themselves are in need of custody, so how could they look after another? And it cannot be given to the one with whom the child will surely be ignored, due to negligence or preoccupation with their own activities which detracts from their ability to look after the child. Or because they are characterised with attributes such as Fisq (transgression) for example, which by its nature will corrupt the upbringing of the child, since corruption is considered a form of destruction.
Wat betreft de ongelovige, kan het niet worden voorgesteld dat hij een vader kan zijn voor een kind terwijl de moeder een moslim is, vanwege het verbod op het huwen van moslimvrouwen door ongelovigen. Daarom is besloten dat de persoon die recht heeft op de voogdij over het kind een vrouw moet zijn, hetzij de moeder of iemand anders. In een dergelijke situatie zal dit onderzocht moeten worden. Als het kind op de leeftijd van onderscheidingsvermogen is en in staat is zaken te bevatten en het verschil te begrijpen tussen het gedrag van zijn moeder en het gedrag van zijn vader, zoals wanneer hij ouder is dan de spenenfase; in dit geval zal het hem toegestaan worden om tussen zijn ouders te kiezen. Hij zal worden gegeven aan een van de twee die hij kiest, vanwege wat is overgeleverd door Abu Dawood dat Abdul Hamid ibn Ja’far overleverde van zijn vader op gezag van zijn grootvader Rafi’ ibn Sinan dat hij (Rafi’ ibn Sinan) de islam aanvaardde en zijn vrouw weigerde de islam te aanvaarden. Zij kwam naar de Profeet ﷺ en zei: “Mijn dochter; zij is klaar met spenen (of stond op te houden met spenen).” Rafi’ zei: “Mijn dochter.” De Profeet ﷺ zei tegen hem: “Ga aan de kant zitten.” En Hij zei tegen haar: “Ga aan de kant zitten.” Hij plaatste het meisje vervolgens tussen hen in en zei tegen hen: “Roep haar.” Het meisje neigde naar haar moeder. De Profeet ﷺ zei: “O Allah! Leid haar.” De dochter neigde toen naar haar vader, en hij nam haar aan. Deze overlevering (Hadith) is overgeleverd door Ahmad. Al-Nasai heeft het in andere versies overgeleverd, maar dezelfde betekenis is aanwezig als in deze overlevering.
As for the disbeliever, it cannot be imagined that He can be a father to a child while his mother is a Muslim due to the prohibition of Muslim women marrying disbelievers. It has been decided, therefore, that the person deserving custody of the child be a woman, whether the mother or someone else. In such a situation it will have to be examined. If the child is at the age of distinction and is able to comprehend things and understand the difference between the conduct of his mother and the conduct of his father, as when He is over the age of weaning; in this case He will be allowed to choose between his parents. He will be given to either of the two He chooses, due to what was reported by Abu Dawood that Abdul Hamid ibn Ja’far narrated from his father on the authority of his grandfather Rafi’ ibn Sinan that He (Rafi’ ibn Sinan) embraced Islam and his wife refused to embrace Islam. She came to the Prophet (pbuh) and said: “My daughter; she finished suckling (or was about to stop suckling) Rafi’ said: “My daughter.” The Prophet (pbuh) said to Him: “Be seated on a side.” And He said to her: “Be seated on a side.” He then seated the girl between them, and said to them: “Call her”. The girl inclined to her mother. The Prophet (pbuh) said: “O Allah! guide her.” The daughter then inclined to her father, and He took her. This Hadith has been reported by Ahmad. Al-Nasai reported it in other versions but the same meaning is present as in this narration.
Als het kind onder de leeftijd van onderscheidingsvermogen is en zaken niet begrijpt en het verschil niet inziet tussen het gedrag van de moeder en de vader, zoals wanneer hij nog borstvoeding krijgt of net is gestopt, krijgt hij geen keuze maar wordt hij verenigd met zijn moeder. Dat is volgens de begrijping van de eerder genoemde overlevering (Hadith) van Rafi b. Sinan, en omdat is bewezen dat de moeder meer recht heeft op de voogdij over het kind en er geen tekst is die haar verbiedt de voogdij te verkrijgen. Er mag hier niet gezegd worden dat voogdij (Hadana) gelijkstaat aan het voogdenschap (Wilayah), zodat een ongelovige (Kafir) geen voogdij over een moslim kan hebben. Want de realiteit van voogdij is dat het het (kind) opvoeden en verzorgen is, en niet het voogdenschap. Daarom zijn de regels van het voogdenschap daarop niet van toepassing.
If the child is under the age of distinction and does not comprehend things and does not realise the difference between the conduct of its mother and its father in, such that He is still suckling or just finished He is not given a choice but is united with his mother. That is according to the understanding of the aforementioned Hadith of Rafi b. Sinan, and because it has been proven that the mother is more entitled to custody of the child and there is no text that prohibits her from gaining custody. It should not be said here that custody (Hadana) is guardianship (Wilaya) so a Kafir cannot have custody over a Muslim. Because the reality of custody is that it is (child) raising and service, and not guardianship. Thus the rules of guardianship do not apply to it.
De moeder heeft meer recht op het voogdijschap over het kind en over de krankzinnige wanneer zij gescheiden wordt. Dit is vanwege wat Abu Dawood heeft overgeleverd op gezag van Abdullah b. Amr b. al-As, dat een vrouw zei: “‘Profeet van Allah ﷺ, mijn schoot is een vat voor deze zoon van mij, mijn borsten zijn een waterzak voor hem, en mijn schoot is een bescherming voor hem, maar zijn vader heeft van mij gescheiden en wil hem van mij wegnemen’. De Profeet van Allah ﷺ zei: ‘Jij hebt meer recht op hem zolang je niet trouwt.’” Ibn Abi Shayba rapporteerde op gezag van Umar dat hij de moeder van Asim scheidde. Later bezocht hij haar en Asim lag op haar schoot. Hij wilde hem van haar wegnemen. Ze trokken hem heen en weer totdat de jongen begon te huilen. Dus gingen ze naar Abu Bakr, die zei: “Haar afvegen, haar schoot en haar geur zijn beter voor hem dan die van jou, totdat hij opgroeit zodat hij voor zichzelf kan kiezen.” Als de moeder geen voogd is omdat zij niet voldoet aan de genoemde voorwaarden met betrekking tot het voogdijschap, of zij voldoet niet aan sommige van deze voorwaarden, zoals getrouwd zijn of krankzinnig zijn enz., dan wordt zij beschouwd alsof zij niet bestaat, en gaat het recht op voogdij over naar degene die het dichtst bij haar staat in rechtmatigheid. Als de ouders niet in aanmerking komen als voogden, dan gaat het recht op voogdij naar wie het dichtst bij hen staat, omdat zij worden beschouwd als vermiste personen. Degene met het meeste recht op voogdij is de moeder, en daarna haar moeders (moeder en grootmoeder) en hoger; degene die het dichtst bij de moeder staat onder hen krijgt voorrang, omdat zij vrouwen zijn en hun ervaring met het baren van kinderen zeker is. Zij worden dus in dezelfde zin als een moeder beschouwd. Het recht op voogdij gaat dan naar de vader, daarna zijn moeders (moeder en grootmoeder); daarna naar de grootvader en daarna naar zijn moeders; daarna naar de grootvader van de vader en daarna naar zijn moeders, zelfs als zij niet erven, omdat zij verwanten zijn van degenen die gekwalificeerd zijn om voogden te zijn. Als de vader en moeder zijn overleden, dan gaat het recht op voogdij over naar de zusters. De zusters van de moeder en de vader krijgen voorrang; daarna de halfzuster via de vader en daarna de halfzuster via de moeder. De zuster krijgt voorrang op de broer omdat zij een vrouw is en daarmee een van degenen is die het best gekwalificeerd zijn voor voogdij. Zij krijgt voorrang op de mannen die op haar niveau zijn (wat betreft het recht op voogdij). Als er geen zuster is, dan hebben de broers van de ouders een groter recht. Daarna de halfbroer via de vader en daarna hun zonen. De halfbroer via de moeder heeft geen recht op voogdij. Als zij niet aanwezig zijn, dan gaat de voogdij over naar de moeders zussen. Als zij afwezig zijn, dan naar de vaders zussen. Als zij afwezig zijn, dan naar de vaderlijke oom via beide ouders. Daarna naar de vaderlijke oom via de vader. De moederlijke oom is niet gerechtigd tot voogdij. Als zij afwezig zijn, dan gaat het over naar de groottantes (moederlijke lijn) via de moeder, en dan naar de groottantes (moederlijke lijn) via de vader, en dan naar de groottantes (vaderlijke lijn) via de vader. De groottantes (vaderlijke lijn) via de moeder zijn niet gerechtigd tot voogdij omdat zij verwant zijn aan de vader van de moeder en hij geen recht op voogdij heeft.
Voogdij gaat niet over van de een naar de volgende rechthebbende, behalve in het geval van diens afwezigheid of in het geval van onbekwaamheid (Ahliyya). Echter, indien degene met het recht op voogdij de voogdij over het kind verlaat, dan gaat de voogdij niet over naar de volgende voogd, tenzij zij in staat zijn tot voogdij. Want voogdij is, hoewel het het recht van de voogd is, tegelijkertijd ook een verplichting voor hem/haar en een recht voor het kind. Het is dus niet mogelijk om de voogdij op te geven, tenzij iemand die gekwalificeerd is de verplichting op zich neemt. Pas dan gaat de voogdij over naar degene die het dichtst bij de voogd staat die zijn voogdij heeft opgegeven, volgens de bovenstaande volgorde. Indien degene die het recht op voogdij heeft opgegeven, dat recht opnieuw wenst op te eisen en hun bekwaamheid om de voogdij te voeren nog bestaat, dan behouden zij dat recht en wordt het kind teruggebracht. Evenzo, indien de moeder opnieuw trouwt en haar recht op voogdij vervalt, maar zij wordt gescheiden, dan keert haar recht op de voogdij over het kind naar haar terug. Hetzelfde geldt voor elke verwant die recht heeft op voogdij maar wordt verhinderd door een belemmering; indien de belemmering ophoudt te bestaan, keert hun recht op voogdij terug omdat de reden voor de voogdij nog steeds bestaat.
Custody does not pass from one that is entitled to the next entitled except in the event of his/her absence or in the event of incapacity (Ahliyya). However, if the one with the right of custody abandons custody of the child then custody does not pass to the next custodian unless they are capable of custody. Because custody, even though it is the right of the custodian, is also at the same time an obligation upon Him/her and a right for the child. So to relinquish custody is not possible except if someone who is qualified undertakes the obligation. Only then does custody pass to whoever is closest to the custodian who has relinquished his custody according to the above order. If the one who has relinquished the right to custody wishes to demand that right again and their capacity to take custody still exists then they maintain that right and the child is returned. Likewise, if the mother remarried and her right to custody is nullified, but was she divorced then her right to the custody of the child reverts back to her. Similarly, for any relative who is entitled to custody but is prevented by an impediment, if the impediment ceases then their right to custody returns because the reason for custody still exists.
Als een groep mensen een geschil heeft over wie van hen meer recht heeft op de voogdij over een kind, dan krijgt de afstammeling van degene die meer recht heeft op voogdij de voorrang. Er is overgeleverd door al-Barra b. ‘Azib dat ‘Ali, Ja’far en Zayd een geschil hadden over de dochter van Hamza. ‘Ali zei: “Ik heb meer recht op haar voogdij omdat zij de dochter is van mijn pachternoon.” Ja’far zei: “Zij is mijn nicht en haar tante (moederlijke zijde) is mijn vrouw.” Zayd zei: “Hamza is mijn neef.” De Boodschapper van Allah ﷺ deed een uitspraak in het voordeel van haar tante (moederlijke zijde). Hij ﷺ zei: “De tante (moederlijke zijde) staat in de positie van de moeder.” Dit alles heeft betrekking op het kind dat voogdij nodig heeft om het te beschermen tegen de dood. Wat betreft het kind dat geen voogdij nodig heeft, dan verdwijnt door het ontbreken van de behoefte aan voogdij de reden (Illa) voor zijn voogdij, en daarmee verdwijnt de regel van de verplichting tot zijn voogdij en het recht van zijn verwanten op voogdij. Vervolgens zal de zaak worden onderzocht. Als degene die recht had op voogdij, zoals de moeder, een ongelovige was, dan zal hij van haar worden weggenomen en aan iemand worden gegeven die voogdij (wilayah) over hem heeft, omdat de realiteit is veranderd van voogdij (custodianship) naar wettelijk voogdenschap (guardianship). Wettelijk voogdenschap is niet toegestaan voor een ongelovige vanwege de uitspraak van Hem (SWT):
If a group of people dispute over which of them is more entitled to the custody of a child, the descendent of the one who is more entitled to custody is preferred. It is narrated by al-Barra b. ‘Azib that ‘Ali, Ja’far and Zayd disputed about the daughter of Hamza. Ali said; “I am more entitled to take custody of her because she is the daughter of my paternal uncle.” Ja’far said: “She is my cousin and her aunt (maternal) is my wife.” Zayd said: “Hamza is my nephew.” The Messenger of Allah passed judgement in favour of her aunt (maternal). He (pbuh) said: “The maternal aunt is in the position of the mother.” All of this is with regards to the child which is in need of custody in order to protect it from death. As for the child which is in no need of custody, then by the absence of his/her need for custody, the reason (Illa) of his custody disappears, and thus the rule of the obligation for his custody and the right of his relatives to custody disappears. Then the matter will be examined. If the one who had the right to custody, such as the mother, was a disbeliever then He will be taken from her and given to someone who has guardianship over Him because the reality has changed to guardianship not custodianship. Guardianship is not allowed for a disbeliever due to his (swt)’s saying:
“En Allah zal nooit een gezag aan de ongelovigen geven over de gelovigen” [An-Nisa: 141]. En vanwege Zijn (SWT) uitspraak: “Islam zal altijd overheersen en niets zal erover heersen.” De uitspraak is algemeen, er is niets gekomen dat dit specificeert, en de specifieke discussie over opvoeding is niet op Hem van toepassing, want Hij heeft geen opvoeding nodig. Maar als degenen die recht hebben op voogdij en guardianship moslims zijn, zoals wanneer de vader en moeder moslims zijn, dan zal de jongen of het meisje, oftewel de jonge jongen of het jonge meisje, de keuze worden gegeven tussen de vader en de moeder. Wie zij ook kiezen, zij zullen bij diegene worden gevoegd, vanwege wat Ahmad, Ibn Maja en al-Tirmidhi hebben overgeleverd (Hadith) op de overlevering (Hadith) van Abu Hurayra: “dat de Profeet ﷺ een jongen de keuze gaf tussen zijn vader en moeder.” En in de overlevering (Hadith) van Abu Dawood: dat een vrouw naar de Profeet van Allah ﷺ kwam en zei: “Mijn echtgenoot wenst mijn zoon van mij weg te nemen, o Profeet van Allah, en hij heeft water voor mij gehaald uit de put van Abey Inabah en hij is goed voor mij geweest.” De Profeet van Allah ﷺ zei: “Laat voor hem loten.” Haar echtgenoot zei: “Wie betwist met mij over mijn zoon?” De Profeet ﷺ zei: “Dit is je vader en dit is je moeder, dus neem de hand van wie je maar wilt.” Dus hij nam de hand van zijn moeder en zij ging met hem mee. Al-Bayhaqi heeft een verslag overgelegd van Umar dat hij een jongen de kans gaf om te kiezen tussen zijn vader en moeder. Hij heeft ook een verslag overgelegd van Ali dat hij Amara al-Jizzami het recht gaf om te kiezen tussen zijn moeder en zijn vaderlijke tante toen hij een jongen van zeven of acht jaar oud was. Deze overleveringen (Hadith) zijn duidelijk en er is bewijs in aanwezig, dat als de vader en moeder twisten over hun kind, het verplicht is om het kind de keuze te geven; en zij zullen gaan met wie er gekozen is. Wat betreft het werpen van de loten die vermeld wordt in de overlevering (Hadith) van Abu Dawood, dit wordt niet vermeld in de overlevering (Hadith) van al-Nisai noch in de andere overleveringen (Hadith). Het wordt begrepen als een verwijzing naar een situatie waarin het kind niet voor een van hen heeft gekozen. Het verlenen van de keuze is niet beperkt tot een specifieke leeftijd. In plaats daarvan wordt de rechter verwezen om te beslissen wat hij juist acht volgens de beoordeling van de experts. Als zij zeggen dat hij geen voogdij vereist, oftewel opvoeding, en de rechter is daarvan overtuigd, dan zal hij hem de keuze verlenen. Anders zal hij hem laten bij degene die het recht heeft hem op te voeden. Dit verschilt per kind. Een kind heeft misschien geen voogdij nodig wanneer hij vijf jaar oud is, een ander kind heeft het misschien niet nodig wanneer hij negen is. De overweging is de leeftijd van het kind in termen van de vraag of hij voogdij nodig heeft of niet.
“And Allah will never allow an authority to the disbelievers over the believers” [An- Nisa: 141] And because of his (swt) saying: “Islam will always dominate and nothing shall dominate over it.” The speech is general, nothing has come to specify it and the specific discussion of upbringing does not apply to Him for He is in no need for upbringing. But if those entitled to custodianship and guardianship are Muslims, such as when the father and mother are Muslims, then the boy or the girl i.e. young boy or girl will be given the choice between the father and mother. Whichever one they choose they will be joined to, due to what Ahmad, Ibn Maja and al-Tirmidhi have reported on the authority of Abu Hurayra “that the Prophet (pbuh) gave a boy the choice between his father and mother.” And in the narration of Abu Dawood: that a woman came to the Prophet of Allah (pbuh) and said: “My husband wishes to take away my son, O Prophet of Allah, and He drew water for me from the well of Abey Inabah and He has been good to me.” The Prophet of Allah (pbuh) said: “Cast lots for Him”. Her husband said: “Who is disputing with me about my son?” The Prophet (pbuh) said: “This is your father and this is your mother, so take the hand of whomever you wish. So He took his mother’s hand and she went away with Him.” Al-Bayhaqi has produced a report from Umar that He granted a boy the chance to choose between his father and mother. He also produced a report from Ali that He granted Amara al-Jizzami the right to choose between his mother and paternal aunt when He was a boy of seven or eight years of age. These Ahadith are clear and there is evidence within them, that if the father and mother dispute over their child, then it is obligatory to give the child the choice; and they will go with whoever is chosen. As for the casting of lots mentioned in the narration of Abu Dawood, it is not mentioned in the narration of al-Nisai nor in the other narrations. It is understood to refer to a situation where the child did not choose either of them. The granting of choice is not restricted to a specific age. Rather, it is referred to the judge to decide what He deems correct according to the estimation of the experts. If they say He does not require custody, i.e. upbringing, and the judge is convinced of that, then He will grant Him the choice. Otherwise He will leave Him with the one who has the right to raise Him. This differs according to the children. A child may not be in need of custody when He is five years old, another child may not need it when He is nine. The consideration is the age of the child in terms of whether He is in need for custody or not.