Imam Maalik Ibn Anas (717-801 n.Chr.)
Imaam Maalik Ibn Anas (717-801 Ce)
Imam Maalik aarzelde er nooit bij om zijn uitspraken te veranderen, zelfs als hij ze al in het openbaar had geuit, indien er bewijs van het tegendeel bij hem kwam via een betrouwbare bron. Een van zijn belangrijkste studenten, Ibn Wahb, bevestigde deze houding van de imam door te zeggen: “Ik hoorde ooit iemand Maalik vragen over het wassen tussen de tenen tijdens de kleine wassing (Wudu), waarop hij antwoordde: ‘Mensen hoeven dat niet te doen.’ Ik wachtte tot de meeste mensen de studiecirkel hadden verlaten en informeerde hem dat er een overlevering (Hadith) hierover bestaat. Hij vroeg wat het was, waarna ik zei dat al-Layth ibn Sa’d, Ibn Luhay’ah en ‘Amr ibn Al-Haarith allen hebben overgeleverd van al-Mustawrid Ibn Shidaad al-Qurashee dat hij de Boodschapper van Allah ﷺ tussen zijn tenen zag wrijven met zijn pink. Maalik zei: ‘Dat is zeker een goede overlevering (Hadith) die ik nog nooit eerder heb gehoord.’ Later, wanneer ik mensen Maalik hoorde vragen over het wassen tussen de tenen, hield hij erop aan dat deze gewassen moesten worden.”203 Deze overlevering is een duidelijk bewijs dat het Madh-hab van Maalik, net als dat van Abu Haneefah, dat van de correcte overlevering (Hadith) was, ook al hebben we geen specifieke uitspraak van hem in die zin, zoals in het geval van Abu Haneefah.
Imaam Maalik never hesitated to change his rulings, even if he had already uttered them in public, if proof to the contrary came to him from a reliable source. One of his main students, Ibn Wahb confirmed this attitude of the Imaam saying, “I once heard some one ask Maalik about washing between the toes during Wudoo, to which he replied, People do not have to do it.’ I waited until most of the people left the study circle and informed him that there is a Hadeeth concerning it. He asked what it was, so I said, that al-Layth ibn Sa’d, Ibn Luhay’ah and “Amr ibn Al-Haarith all related from al-Mustawrid Ibn Shidaad al-Qurashee that he saw Allaah’s Messenger (s.w.) rub between his toes with his little finger, Maalik said, ‘Surely that is a good Hadeeth which I have never heard before.’ Later when I heard people ask Maalik about washing between the toes, the toes, he used to insist that it must be washed.”203 This narration is clear proof that Maalik’s Madh-hab, like Abu Haneefah’s was that of the sound Hadeeth, even though we do not have a specific statement by him to that effect, as in the case of Abu Haneefah.
Maalik benadrukte ook het feit dat hij vatbaar was voor fouten en dat de enige uitspraken van hem die gebruikt mochten worden, die waren welke niet in strijd waren met de Qur’aan en de overlevering (Hadith). Ibn ‘Abdul-Barr rapporteerde dat Maalik eenmaal zei: “Voorwaar, ik ben slechts een man, ik maak fouten en ben soms correct; onderzoek mijn meningen daarom grondig, neem wat overeenkomt met het Boek en de profetische traditie (Sunnah), en verwerp wat hiermee in strijd is.”204 Deze uitspraak bewijst duidelijk dat de Qur’aan en de overlevering (Hadith) de voorkeur kregen boven alles door deze grote geleerde, die nooit de bedoeling had dat zijn meningen rigide gevolgd zouden worden. In feite, toen de ‘Abbaasid kalief Abu Ja’far al-Mansoor (regeerperiode 759-775 n.Chr.) en Haroon ar-Rasheed (regeerperiode 786-809 n.Chr.)
Maalik also emphasized the fact that he was subject to error and that the only rulings of his which should be used were those which did not come in conflict with the Qur’aan and Hadeeth. Ibn ‘Abdul-Barr reported that Maalik once said, “Verily I am only a man, I err and am at times correct; so thoroughly investigate my opinions, them take whatever agrees with the Book and the Sunnah, and reject whatever contradicts them.”204 This statement clearly proves that the Qur’aan and the Hadeeth were given preference over all else by this great scholar who never intended that his opinions be rigidly followed. In fact, when the ‘Abbaasid Caliph Abu Ja’far alMansoor (reign 759-755 CE) and Haroon ar-Rasheed (reign 786-809
CE) verzocht dat Maalik hen toestemming zou geven om deze verzameling Hadeeths, genaamd al-Muwatta’, de officiële autoriteit in de staat over de profetische traditie (Sunnah) te maken; hij weigerde op beide gelegenheden, waarbij hij erop wees dat de metgezellen (Sahabah) over het land verspreid waren geraakt en vele Hadeeths hadden achtergelaten die niet in zijn verzameling te vinden waren. Zo sloeg Maalik de kans voorbij om zijn rechtsschool (Madhhab) de officiële rechtsschool (Madhhab) van de islamitische staat te laten maken, en deed hij daarmee een voorbeeld dat anderen wellicht wijs waren geweest om te volgen.
CE) requested that Maalik allow them to make this collection of Hadeeths, called al-Muwatta’, the official authority in the state on the Sunnah, he refused on both occasions, pointing out that the Sahaabah had scattered throughout the land and had left behind many Hadeeths not found in his collection. Thus, Maalik turned down the opportunity to have his Madh-hab made the official Madhhab of the Islamic state and in so doing, he set an example that others might have been wise to follow.
203 Ibn Abee Haatim, al-Jarh wat-Ta’deel, (Hyderabad, India: Majlis Daa’irah al-Ma’aarif al-‘Uthmaaneeyah, 1952), voorwoord pp. 31-33.
203 Ibn Abee Haatim, al-Jarh wat-Ta’deel, (Hyderabad, India: Majlis Daa’irah al-Ma’aarif al-‘Uthmaaneeyah, 1952), foreword pp. 31-33.
204 Ibn ‘Abdul-Barr, Jaami’ Bayaan al-Ilm, (Cairo: al-Muneereeyah, 1927), vol. 2, p. 32.
204 Ibn ‘Abdul-Barr, Jaami’ Bayaan al-Ilm, (Cairo: al-Muneereeyah, 1927), vol. 2, p. 32.