5.13 Spanningen binnen het huishouden van de Profeet ﷺ
5.13 Tensions Among The Prophet’s Household
Abū Rāfi‘ rapporteerde dat de Profeet ﷺ tegen ‘Alī zei: “Er zal een geschil tussen jou en ‘Āishah ontstaan.” Hij zei: “Ik, o Boodschapper van Allah ﷺ?!” Hij zei: “Ja.” Hij zei: “Ik?!” Hij zei: “Ja.” Hij zei: “Dan zou ik de slechtste persoon ooit zijn.” Hij zei: “Nee. Maar wanneer dit gebeurt, breng haar dan terug naar haar veilige verblijfplaats.”295 Vlak voor haar conflict met ‘Alī , toen ‘Āishah de honden nabij Basra hoorde blaffen op een plaats genaamd Ḥaw’ab, zei zij: “Misschien moet ik naar huis terugkeren, want de Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen ons (zijn vrouwen): ‘Wie van jullie zal er aangeblaft worden door de honden van Ḥaw’ab?’”296 In de hoop dat haar aanwezigheid tot een oplossing zou leiden, en dat dit slechts een profetie was en geen verbod, besloot ‘Āishah haar reis niet af te breken.
Abū Rāfi‘ reported that the Prophet صلى الله عليه وسلم said to ‘Alī, “There will be an issue between you and ‘Āishah.” He said, “Me, O Messenger of Allah?!” He said, “Yes.” He said, “Me?!” He said, “Yes.” He said, “Then, in that case, I would be the worst person ever.” He said, “No. But when this occurs, return her to her safe quarters.”295 Just prior to her clash with ‘Alī , when ‘Āishah heard dogs barking near Basra at a place called Ḥaw’ab, she said, “Perhaps I must return home, for the Messenger of Allah صلى الله عليه وسلم said to us (his wives), ‘Which one of you will be barked at by the dogs of Ḥaw’ab?’”296 Hopeful that her presence would effect a resolution, and that this was only a prophecy and not a prohibition, ‘Āishah decided not to abort her journey.
295 Ibn Ḥanbal, Musnad Aḥmad, 45:175 #27197; een ḥasan (acceptabele) keten volgens Ibn Ḥajar in Fatḥ al-Bārī, 13:55.
295 Ibn Ḥanbal, Musnad Aḥmad, 45:175 #27197; a ḥasan (acceptable) chain according to Ibn Ḥajar in Fatḥ al-Bārī, 13:55.
296 Ibn Ḥibbān, Ṣaḥīḥ Ibn Ḥibbān, 15:126 #6732; geauthenticeerd door al-Arna’ūṭ en al-Albānī in de commentaren.
296 Ibn Ḥibbān, Ṣaḥīḥ Ibn Ḥibbān, 15:126 #6732; authenticated by al-Arna’ūṭ and al-Albānī in the comments.