Een afscheidsword over de reis van het geloof
A Parting Word On The Journey Of Faith
In deze hoofdstukken hebben we de dringende behoefte van de mensheid aan het profentschap behandeld, de buitengewone vruchten van de bediening van Muhammad ﷺ in termen van zijn karakter, zijn boodschap, zijn prestaties en zijn nalatenschap, en hebben we een deel geproefd van de gebeurtenissen die hij voorspelde, de wonderen die hij verrichtte, en de Qur'an waarmee hij de wereld deed schudden. De verantwoordelijkheid ligt nu bij de lezer om op te staan en hun ultieme doel te vervullen in het kennen en aanbidden van de Heer van alle werelden. Voor dat doel zullen alleen het leiderschap en het verlichtende voorbeeld van Gods laatste profeet, Muhammad ﷺ, de weg verlichten.
In these chapters, we have covered humanity’s pressing need for prophethood, the extraordinary fruits of Muhammad’s صلى الله عليه وسلم ministry in terms of his character, message, accomplishments, and legacy, and sampled a share of the events he foretold, the miracles he performed, and the Qur’an with which he shook the world. The onus now falls on the reader to rise and meet their ultimate purpose in knowing and worshipping the Lord of all the Worlds. For that end, only the leadership and luminous example of God’s final prophet, Muhammad صلى الله عليه وسلم, will light the way.
Abū Sufyān ibn Ḥarb was een openlijke vijand van de Profeet Muhammad ﷺ gedurende bijna zijn gehele bediening. Hij lanceerde meer militaire campagnes tegen hem dan wie dan ook, en tijdens de intervallen tussen de veldslagen hielp hij bij het orkestreren van opstanden in de stad Madinah van de Profeet ﷺ, en geheime moordaanslagen op hem. Het was slechts achttien maanden voor de dood van de Profeet ﷺ dat Abū Sufyān zelf besloot de Islam te aanvaarden. Het is echter de opeenvolging van gebeurtenissen op de dag van zijn bekering die ik hier wens samen te vatten en mijn lezers hiermee wil nalaten, aangezien zij krachtig de ervaring vastleggen die veel mensen hebben wanneer zij zich bezighouden met de bewijzen van het profeetschap.
Abū Sufyān ibn Ḥarb was an open enemy to the Prophet Muhammad صلى الله عليه وسلم for nearly his entire ministry. He launched more battle campaigns against him than anyone, and during the intervals between battles, he would help orchestrate uprisings in the Prophet’s صلى الله عليه وسلم city of Madinah, and covert assassination attempts against him. It was only eighteen months before the Prophet’s صلى الله عليه وسلم death that Abū Sufyān himself decided to accept Islam. However, it is the sequence of events on the day of his conversion that I wish to summarize here and leave my readers with, as they powerfully capture an experience many people have when engaging the proofs of prophethood.
Nadat de stam van Quraysh haar vredesverdrag met Muhammad ﷺ had geschonden door een van zijn bondgenoten aan te vallen, trok de Profeet ﷺ met zijn leger naar Mecca om een einde te maken aan hun onderdrukking.
After the tribe of Quraysh reneged on its peace treaty with Muhammad صلى الله عليه وسلم by attacking one of his allies, the Prophet صلى الله عليه وسلم marched to Mecca with his army to put an end to their oppression.
Toen zij de buitenwijken van Mecca bereikten, werd Abū Sufyān er zeker van dat zijn geboorteplaats deze naderende macht niet zou kunnen afweren, vooral nadat zij op deze wijze onverwacht waren overvallen. In een wanhopige poging werd Abū Sufyān door al-‘Abbās ibn ‘Abdul-Muṭṭalib , de oom van de Profeet ﷺ die toevallig een levenslange vriend van Abū Sufyān was, de kampen van de moslims binnengesmokkeld. Net zoals zij de tent van de Profeet ﷺ binnengingen, deden zijn vooraanstaande Metgezellen dat ook, waarbij laatstgenoemden de executie eisten van deze man die velen van hen had gemarteld, hun familieleden had gedood en naar alle maatstaven een oorlogsmisdadiger was. Maar in een moment van uiterste mildheid vergeef de Profeet ﷺ hem en zei: “Zal jij nog steeds niet getuigen dat niets het waard is om aanbeden te worden behalve Allah?” Abū Sufyān antwoordde: “Ik ben er nu zeker van dat als er een andere god was geweest, Hij mij al lang gered zou hebben.” De Profeet ﷺ vervolgde: “Zal jij niet getuigen dat ik de Boodschapper van Allah ben?” Abū Sufyān zei: “Wat dat deel betreft, daar bestaat nog enige twijfel in mij over.” Echter, toen hij besefte dat alleen dit een crimineel zo berucht als hijzelf kon verlossen, sprak hij de getuigenis van het geloof uit om moslim te worden:
When they reached the outskirts of Mecca, Abū Sufyān became certain that his hometown would not be able to repel this incoming force, especially after being caught off guard by them like this. In a desperate attempt, Abū Sufyān was slipped into the Muslim camps by al-‘Abbās ibn ‘Abdul-Muṭṭalib , the Prophet’s صلى الله عليه وسلم uncle who happened to be Abū Sufyān’s lifelong friend. Just as they entered the Prophet’s صلى الله عليه وسلم tent, so did his senior Companions, the latter demanding the execution of this man who had tortured many of them, killed their family members, and was a war criminal by every measure. But in a moment of supreme clemency, the Prophet صلى الله عليه وسلم forgave him and said, “Will you still not testify that nothing is worthy of worship except Allah?” Abū Sufyān responded, “I am certain now that if there were any other god, he would have saved me already.” The Prophet صلى الله عليه وسلم continued, “Will you not testify that I am the Messenger of Allah?” Abū Sufyān said, “As for that part, there is still some doubt inside me regarding it.” However, upon realizing that only this could redeem a criminal as notorious as himself, he professed the testimony of faith to become Muslim:
Ik getuig dat niets het waard is aanbeden te worden behalve Allah, en ik getuig dat Muhammad ﷺ de Boodschapper van Allah is.475
I testify that nothing is worthy of worship except Allah, and I bear witness that Muhammad is the Messenger of Allah.475
De Profeet Muhammad ﷺ erkende dat Abū Sufyān een man van groot aanzien was onder zijn volk (Banū Umayyah), en dat dit de voornaamste reden was waarom hij aarzelde om zich te onderwerpen aan de autoriteit van Muhammad ﷺ, aangezien hij ﷺ afkomstig was uit de rivaliserende stam van Banū Hāshim. Om Abū Sufyān te helpen zijn aarzeling te overwinnen en zijn toewijding aan het geloof te verstevigen, stond de Profeet ﷺ hem toe om naar huis terug te keren en verklaarde hij dat elke Mekkanese die het landgoed van Abū Sufyān zou betreden, veilig zou zijn.
The Prophet Muhammad صلى الله عليه وسلم recognized that Abū Sufyān was a man of great prestige among his people (Banū Umayyah), and that this was the main reason he hesitated to concede to Muhammad’s authority, as he صلى الله عليه وسلم hailed from the rival tribe of Banū Hāshim. To help Abū Sufyān overcome his hesitation and solidify his commitment to faith, the Prophet صلى الله عليه وسلم allowed him to return home and declared that any Meccan who entered Abū Sufyān’s estate would be safe.
Toen koppelde hij ﷺ die geste aan een ander wijs voorschrift, waarbij hij zijn oom instrueerde om Abū Sufyān bij de ingang van de vallei te laten staan bij het aanbreken van de dageraad, om de omvang van de moslimmachten te aanschouwen terwijl zij opmarsden. De volgende ochtend was Abū Sufyān vol ontzag. Telkens wanneer een enorme menigte in harnas voorbijtrok, vroeg hij angstig aan al-‘Abbās wie zij waren, en al-‘Abbās informeerde hem over de naam van elke groep: “Dit zijn Ghifār… Dit zijn Juhaynah… Dit zijn Sulaym… Dit zijn Mazīnah… Dit zijn de emigranten (Muhajirun) en de helpers (Ansar).” Abū Sufyān was woordenloos, en het enige wat hij telkens kon inbrengen was: “Welk belang heb ik erbij om tegen zulke stammen te vechten? Niemand kan ooit concurreren met zulke mensen.” Hij zei toen verward tegen al-‘Abbās: “Het koninkrijk van jouw neef is werkelijk een groot geworden.” Hij realiseerde zich toen dat het niet langer individuen waren die moslim werden, maar hele stammen en regio's. Hij wist dat sommige van deze stammen in hun eentje de uitroeiing van Quraysh zouden kunnen veroorzaken, en nu—op de een of andere manier—had Muhammad ﷺ hun harten voor het eerst in de geschiedenis verenigd. Alsof hij zijn metgezel smeekte het voor de hand liggende te erkennen, antwoordde al-‘Abbās: “Abū Sufyān! Dit is geen koninkrijk; het is profeetschap.” Deze keer moet de getuigenis uit de diepte van zijn wezen zijn gekomen; Abū Sufyān zei: “Ja, dat moet het zijn.”476
Then, he صلى الله عليه وسلم coupled that gesture with another wise directive, instructing his uncle to have Abū Sufyān stand at the mouth of the valley at daybreak, to behold the magnitude of the Muslim forces as they marched. The next morning, Abū Sufyān was awestruck. Each time a massive crowd in armor would pass by, he would anxiously ask al-‘Abbās who they were, and al-‘Abbās would inform him of each group’s name: “This is Ghifār… This is Juhaynah… This is Sulaym… This is Mazīnah… These are the Muhājirīn and the Anṣār.” Abū Sufyān was beyond words, and all he could muster in response each time was, “What business do I have fighting such a tribe? Nobody can ever contend with such people.” He then said to al-‘Abbās in bewilderment, “Your nephew’s kingdom has truly become a great one.” He realized then that it was no longer individuals that were becoming Muslim, but rather whole tribes and regions. He knew that some of these tribes could singlehandedly cause the extinction of Quraysh, and now—somehow—Muhammad had united their hearts for the first time in history. As if begging his comrade to recognize the obvious, al-‘Abbās retorted, “Abū Sufyān! This is no kingdom; it is prophethood.” This time the testimony must have come from his depths; Abū Sufyān said, “Yes, it must be.”476
Prachtig is de ongeëvenaarde barmhartigheid van de Profeet ﷺ tegenover zijn grootste tegenstanders, en de unieke prestaties van zijn korte, gezegende leven, maar misschien is het verhaal dat het vertelt over de reis van het geloof dat mij boven alles het meest in het hart raakt. Niet iedereen die de waarheid van de Islam heeft belijden, heeft de volledige zoetheid van het geloof in zijn hart ervaren, en niet iedereen die intellectueel overtuigd is van de Islam, is erin geslaagd de sociale en emotionele uitdagingen om deze te aanvaarden te overwinnen. De Profeet ﷺ smeekte Allah: “…en leid mij, en maak leiding gemakkelijk voor mij.”477 Dit is een diepgaand gebed, want we vermijden allemaal onbewust het aanvaarden van bepaalde waarheden uit angst voor de prijs die daarvoor betaald moet worden. Het is daarom ons hart dat open moet staan voor de waarheid, en niet alleen ons verstand, dat objectiviteit en helderheid van denken mogelijk maakt.
Beautiful is the matchless mercy of the Prophet صلى الله عليه وسلم with his greatest opponents, and the unique achievements of his brief blessed lifetime, but perhaps the story it tells about the journey of faith is what tugs at my heartstrings above all. Not everyone who has professed the truth of Islam has experienced the full sweetness of faith in their heart, and not everyone who is intellectually convinced about Islam has been able to conquer the social and emotional challenges to accepting it. The Prophet صلى الله عليه وسلم would beseech Allah, “…and guide me, and allow guidance to be easy for me.”477 This is a profound prayer, for we all subconsciously avoid accepting certain truths due to fear of their cost. It is therefore our heart being open to truth, not just our mind, that allows for objectivity and clarity of thought.
Daarom zegt Allah: “Wie Allah wil leiden, Hij verruimt zijn hart om Islam te ontvangen.”478
Hence, Allah says, “So whoever Allah wishes to guide, He expands their heart to welcome Islam.”478
Abū Sufyān wist terdege van de integriteit van de Profeet ﷺ, was getuige van vele grote wonderen, werd vergeven en daarna geëerd, en toch was het pas toen Allah hem inspireerde met deze eenvoudige uitspraak—“dit is profeetschap”—dat het geloof zijn wereldse verdedigingswerken doordrong en zich eindelijk in zijn hart vestigde.
Abū Sufyān knew full well of the Prophet’s صلى الله عليه وسلم integrity, witnessed many great miracles, was forgiven, then honored, and yet it was only when Allah inspired him with this simple statement—“this is prophethood”— that faith penetrated his worldly defenses and finally settled in his heart.
Ik vraag Allah om ons de oprechtheid te schenken die ervoor zorgt dat overtuiging in onze harten wortelt, om deze schrijver te vergeven voor alles wat ongepast zou kunnen zijn in dit werk aan uitspraken of intenties, en om Zijn mooiste salutationen, vrede en zegeningen te sturen aan Zijn laatste profeet, Muhammad ﷺ. En alle lof zij aan Allah, de Heer der Werelden.
I ask Allah to grant us the sincerity that allows for conviction to settle in our hearts, to forgive this writer for all that may be inappropriate in this work of statements or intentions, and to send His finest salutations, peace, and blessings upon His final prophet, Muhammad. And all praise is for Allah, Lord of the Worlds.
475 Het uitspreken van deze verklaring, terwijl men erin gelooft, brengt iemand in de gemeenschap van de Islam. Het kan in elke taal worden uitgesproken, met of zonder getuigen. Wij nodigen elke lezer uit om het nu uit te spreken, of dat nu is om hun aanvaarding van God en de Islam te beginnen of te vernieuwen.
475 Uttering this statement, while believing it, enters one into the fold of Islam. It can be stated in any language, with or without witnesses. We invite every reader to utter it now, whether that is to begin or renew their acceptance of God and Islam.
476 Ibn Hishām, Al-Sīrah al-Nabawīyah, 2:402-404.
476 Ibn Hishām, Al-Sīrah al-Nabawīyah, 2:402-404.
477 Ibn Ḥanbal, Musnad Aḥmad, 3:452 #1997; geauthenticeerd door al-Arnā’ūṭ in de commentaren.
477 Ibn Ḥanbal, Musnad Aḥmad, 3:452 #1997; authenticated by al-Arnā’ūṭ in the comments.
478 De Qur'an 6:125, vertaling van de auteur.
478 The Qur’an 6:125, author’s translation.