Met betrekking tot individuen stellen de verzen (Ayah's); “De gelovigen, mannen en vrouwen, zijn awliya (helpers, vrienden, beschermers) van elkaar, zij gebieden het goede (Ma’ruf) en verbieden het kwaad (Munkar)...” [TMQ 9:71] Qurtubi zei: “Allah heeft het gebieden van het goede (Ma’ruf) en het verbieden van het kwaad (Munkar) tot een onderscheid tussen gelovigen en munafiqeen (hypocrieten) gemaakt. Dit geeft dus aan dat de meest specifieke beschrijving van de gelovigen is: het gebieden van het goede (Ma’ruf) en het verbieden van het kwaad (Munkar), waarvan de oproep tot de islam (Da’wah) de belangrijkste is.” [Tafseer al-Qurtubi 4/47] Met betrekking tot groepen en partijen verduidelijken de verzen het type van hun handelen, dus het vers zegt; “En laat er uit jullie een groep voortkomen die uitnodigt tot al wat goed is (Islam), het goede (Ma’ruf) gebiedt en het kwaad (Munkar) verbiedt. En zij zijn degenen die succesvol zijn.” [TMQ 3:104] Met betrekking tot de mensen in autoriteit zegt het vers: “Degenen (Moslim-heersers) die, wanneer Wij hen macht geven in het land, het gebed (Salah) vestigen, de armenbelasting (Zakah) bevelen en het goede (Ma’ruf) gebieden en het kwaad (Munkar) verbieden. En bij Allah ligt de uitkomst van (alle) zaken.” [TMQ 22:41] De Koran heeft verduidelijkt dat de oproep tot de islam (Da’wah) tot de islam moet zijn; “En laat er uit jullie een groep voortkomen die uitnodigt tot al wat goed is (Islam)...” [TMQ 3:104]; “En wie is onrechtvaardiger dan degene die een leugen tegen Allah verzint, terwijl hij tot de islam wordt uitgenodigd?” [TMQ 61:7] “En zeker, jij (o Muhammad ﷺ) roept hen uit tot een Recht Pad.” [TMQ 23:73] De Koran heeft ook verduidelijkt dat de oproep tot de islam (Da’wah) tot Allah moet zijn; “En wie is beter in spraak dan degene die tot Allah roept...” [TMQ 41:33]; “Zeg (o Muhammad ﷺ): ‘Dit is mijn weg; ik roep tot Allah met zeker kennis, ik en degenen die mij volgen.’” [TMQ 12:108] De Koran verduidelijkte dat de oproep tot de islam (Da’wah) moet zijn tot het regeren met datgene wat Allah heeft geopenbaard; “En wanneer zij tot Allah en Zijn Boodschapper worden geroepen, om tussen hen te oordelen, weigeren een groep van hen (te komen) en wendt zich af.” [TMQ 24:48]; “De enige uitspraak van de gelovigen, wanneer zij worden opgeroepen tot Allah en Zijn Boodschapper om tussen hen te oordelen, is dat zij zeggen: ‘Wij horen en wij gehoorzamen.’” [TMQ 24:51]; “…Zij worden uitgenodigd tot het Boek van Allah om hun geschil te beslechten, maar een groep van hen keert zich af, terwijl zij afkeerig zijn.” [TMQ 3:23] Het gebieden van het goede (Ma’ruf) en het verbieden van het kwaad (Munkar) is fard ‘ala al-kifayah (een collectieve verplichting) en sommigen zijn hier specifiek toe verplicht gesteld; degene die het onderneemt zal beloond worden en degene die het verlaat zal niet worden vergeven totdat het is voltooid, aangezien Allah “redding” heeft gemaakt als het gevolg van het nakomen van die verplichting en “straf” als het gevolg van het achterwege laten ervan. Hij zei: “Dus toen zij vergaten waaraan zij waren herinnerd, redden Wij degenen die het kwaad verboden, maar Wij grepen degenen die onrecht deden met een zware straf, omdat zij vaak de grens overschreden.” [TMQ 7:165] Aangezien geloof (Iman) het belangrijkste goede (Ma’ruf) is en de basis van elk goede (Ma’ruf), dan is ongeloof (Kufr) aan de andere kant het grootste kwaad (Munkar) en de basis van elk kwaad (Munkar). Aangezien de daden van gehoorzaamheid goede daden (ma’rufat) zijn die voortvloeien uit het belangrijkste goede (Ma’ruf), dan zijn de daden van ongehoorzaamheid aan de andere kant de kwade daden (munkaraat) die voortvloeien uit het grootste kwaad (Munkar). Aangezien oordelen naar wat Allah heeft geopenbaard de kern is van de daden van gehoorzaamheid, waarmee het geloof (Iman) en de daden van gehoorzaamheid worden bewaard, en waarmee de oproep tot de islam (Da’wah) wordt uitgevoerd en de religie (Deen) wordt verspreid; dan is oordelen naar iets anders dan wat Allah heeft geopenbaard aan de andere kant de kern van de daden van ongehoorzaamheid en vormt het het volgen van grillen, begeerten en misleiding.
In relation to individuals the ayaat state; “The believers, men and women, are awliya (helpers, friends, protectors) of one another, they enjoin the ma’roof and forbid the munkar…” [TMQ 9:71] Qurtubi said: “Allah made enjoining the ma’roof and forbidding the munkar differentiate between believers and munafiqeen (hypocrites). Thus it indicates that the most specific description of the believers is: enjoining the ma’roof and forbidding the munkar and at the head of which is the da’wah to Islam.” [Tafseer al-Qurtubi 4/47] In relation to groups and parties, the verses clarify the type of their action, thus the verse says; “And let there arise from amongst you a group inviting to all that is good (Islam), enjoining the ma’roof and forbidding the munkar. And it is they who are successful.” [TMQ 3:104] In relation to the people in authority the verse says, “Those (Muslim rulers) who, if We give them power in the land, (they) established the Salah (prayer) and ordered the payment of Zakah and they enjoined the ma’roof and forbade the munkar. And with Allah rests the end of (all) matters.” [TMQ 22:41] The Qur’an has clarified that the da’wah should be to Islam; “And let there arise from amongst you a group inviting to all that is good (Islam)...” [TMQ 3:104]; “And who does more wrong than the one who invents a lie against Allah, while he is being invited to Islam?” [TMQ 61:7] “And certainly, you (O Muhammad ) call them to a Straight Path.” [TMQ 23:73] The Qur’an has also clarifed that the da’wah should be to Allah ; “And who is better in speech than he who calls to Allah...” [TMQ 41:33]; “Say (O Muhammad ):’This is my way; I invite unto Allah with sure knowledge, I and whosoever followed me.’” [TMQ 12:108] The Qur’an clarified that the da’wah should be to ruling by what Allah has revealed; “And when they are called to Allah and His Messenger, to judge between them, lo! a party of them refuse (to come) and turn away.” [TMQ 24:48]; “The only saying of the believers, when they are called to Allah and His Messenger to judge between them, is that they say: ‘We hear and we obey.’” [TMQ 24:51]; “…They are being invited to the Book of Allah to settle their dispute, then a party of them turn away, while they are averse.” [TMQ 3:23] Enjoining the ma’roof and forbidding the munkar is fard ‘ala al-kifayah (an obligation of sufficiency) and some have been specifically obligated, and the one undertaking it will be rewarded and the one who abandons it will not be excused until it has been accomplished, since Allah made “salvation” the consequence of undertaking that obligation and “torment” the consequence of leaving it. He said, “So when they forgot what they were reminded of, We rescued those who forbade evil, but We seized those who did wrong with a severe torment, because they used to transgress.” [TMQ 7:165] Since Imaan is the foremost ma’roof and the basis of every ma’roof, then kufr on the other hand is the foremost munkar and the basis of every munkar. Since the acts of obedience are ma’roofat emanating from the foremost ma’roof, then on the other hand the acts of disobedience are the munkaraat emanating from the foremost munkar. Since ruling by what Allah has revealed is the head of the acts of obedience, with which the Imaan and the acts of obedience are preserved, and through which the da’wah is undertaken and the deen is spread; then on the other hand ruling by other than what Allah has revealed is the head of the acts of disobedience and it constitutes following the whims, desires and misguidance.