2.9 Het tweede aspect: het gebieden van het goede (Ma’ruf) en het verbieden van het kwaad (Munkar)
2.9 The Second Aspect: Enjoining The Ma’roof And Forbidding The Munkar
We hebben gezegd dat de Islam elk goede (Ma’ruf) en elk kwaad (Munkar) heeft verduidelijkt; de moslim is verplicht zich te houden aan elk goede (Ma’ruf) waarvoor hij verantwoordelijk is en zich te onthouden van elk kwaad (Munkar). De vraag die hierbij opkomt is: gebiedt hij elk goede (Ma’ruf) dat hij zelf uitvoert, of gebiedt hij de meerderheid van, of minder dan, wat hij zelf uitvoert? Verbiedt hij elk kwaad waar hij zelf van afziet, of verbiedt hij de meerderheid van, of minder dan, wat hij zelf afhoudt?
We said that Islam has clarified every ma’roof and every munkar; the Muslim is required to abide by every ma’roof for which he is responsible and abstain from every munkar. The question that arises here is; does he enjoin every ma’roof that he carries out, or does he enjoin the majority of, or less than, what he carries out himself? Does he forbid every evil he refrains from, or does he forbid the majority of, or less than, what he refrains from himself?
Voordat we dit onderwerp behandelen, moeten we de realiteit begrijpen van wat de Shar’a beoogt te verwezenlijken. De Shar’a streeft ernaar dat er een islamitische samenleving wordt gevestigd, waarin geen enkel concept ingaat tegen de concepten van de Shar’a; noch vindt er een handeling plaats die niet is goedgekeurd door de Shar’a. Elk kwaad (Munkar) dat verboden is door de Shar’a, moet worden voorkomen en bestraft. Met andere woorden, wat Allah (SWT) heeft bevolen wat betreft regels en overtuigingen, moet bestaan. Elk kwaad (Munkar) dat heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden, wordt aangepakt. Allah (SWT) heeft de moslims bevolen deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Hij (SWT) heeft deze taak groot gemaakt en heeft er een immense beloning aan verbonden. Imam Ghazali (moge Allah hem genadig zijn) zei in zijn boek, “Ihyaa’ ‘uloom ad-deen”: “Amma Ba’d. Voorwaar, het gebieden van het goede en het verbieden van het kwaad is de grootste zuil in de religie (Deen). Het is de missie waarmee Allah alle profeten heeft gezonden. Als dit zou ophouden te bestaan en de kennis en de beoefening ervan zouden worden verwaarloosd, dan zou het profentschap worden opgeschort, de religie (Deen) zou verdwijnen, de periode van geen religie (Deen) zou heersen, misleiding en onwetendheid zullen zich verspreiden en corruptie zal erger worden, de scheur zal onherstelbaar worden, de landen zullen worden verwoest en de mensen zullen vergaan.”