Artikel 13
Article 13
In de oorsprong is ieder individu onschuldig. Niemand mag worden gestraft zonder een gerechtelijk vonnis. Het is absoluut verboden om iemand te martelen; en eenieder die dit doet, zal worden gestraft.
In origin, every individual is innocent. No one should be punished without a court verdict. It is absolutely forbidden to torture anyone; and anyone who does this will be punished.
Dit artikel behandelt drie kwesties: het beginsel van onschuld, het verbod op het opleggen van een straf zonder vonnis van een rechter en het verbod op marteling.
This article covers three issues: The principle of innocence, the prohibition of imposing a penalty without a judge’s sentence and the prohibition of torture.
Wat het eerste punt betreft, het bewijs hiervan is afgeleid van wat werd overgeleverd door Wa’il Ibn Hajr, die zei:
As for the first issue, its evidence is derived from what was reported by Wa’il Ibn Hajr who said:
. جَاءَ رَجُلٌ مِنْ حَضْرَمَوْتَ وَرَجُلٌ مِنْ كِنْدَةَ إِلَى النَّبِيِّ « ، فَ قَالَ الْحَضْرَمِيُّ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ هَذَا قَدْ غَلَبَنِي عَلَى أَرْضٍ لِي كَانَتْ لأَبِي، فَ قَالَ الْكِنْدِيُّ: هِيَ أَرْضِي فِي يَدِي أَزْرَعُهَا لَيْسَ لَهُ فِيهَا حَ ق، فَ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ لِلْحَضْرَمِيِّ: أَلَكَ بَ يِّ نَةٌ؟ قَالَ: لاَ، قَالَ: فَ لَكَ يَمِينُهُ، قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ الرَّجُلَ فَاجِرٌ لا ي بَُالِي عَلَى مَا حَلَفَ عَلَيْهِ » وَلَيْسَ يَ تَ وَرَّعُ مِنْ شَيْءٍ، فَ قَالَ: لَيْسَ لَكَ مِنْهُ إِلاَّ ذَلِكَ.
. جَاءَ رَجُلٌ مِنْ حَضْرَمَوْتَ وَرَجُلٌ مِنْ كِنْدَةَ إِلَى النَّبِيِّ « ، فَ قَالَ الْحَضْرَمِيُّ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ هَذَا قَدْ غَلَبَنِي عَلَى أَرْضٍ لِي كَانَتْ لأَبِي، فَ قَالَ الْكِنْدِيُّ: هِيَ أَرْضِي فِي يَدِي أَزْرَعُهَا لَيْسَ لَهُ فِيهَا حَ ق، فَ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ لِلْحَضْرَمِيِّ: أَلَكَ بَ يِّ نَةٌ؟ قَالَ: لاَ، قَالَ: فَ لَكَ يَمِينُهُ، قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ الرَّجُلَ فَاجِرٌ لا ي بَُالِي عَلَى مَا حَلَفَ عَلَيْهِ » وَلَيْسَ يَ تَ وَرَّعُ مِنْ شَيْءٍ، فَ قَالَ: لَيْسَ لَكَ مِنْهُ إِلاَّ ذَلِكَ.
“Er kwam een persoon uit Hadramaut en een ander uit Kinda naar de Profeet ﷺ. Degene die uit Hadramaut was gekomen, zei: Boodschapper van Allah ﷺ, alleen deze man heeft mijn land toegeëigend dat toebehoorde aan mijn vader. Degene die uit Kinda was gekomen, betwistte dit. Dit is mijn land en het is in mijn bezit: ik bewerk het. Hij heeft er geen recht op. De Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen de Hadramaut: Heb je enig bewijs (om je te ondersteunen)? Hij antwoordde ontkennend. De Profeet ﷺ zei: Dan moet jouw zaak worden beslist op basis van zijn eed. Hij (de Hadramaut) zei: Boodschapper van Allah ﷺ, hij is een leugenaar, geeft niets om wat hij zweert en heeft geen ontzag voor iets. Hierop merkte de Boodschapper van Allah ﷺ op: Voor jou is er dan geen andere hulp bij. Hij zei: “Je hebt geen andere rechten tegenover hem dan dit” (overgeleverd door Muslim). Hij zei ook: “Maar de bewijslast ligt bij de eiser, en het afleggen van een eed ligt bij degene die ontkent” (overgeleverd door Al-Bayhaqi met een Sahih-keten). In de eerste overlevering legde de Boodschapper van Allah ﷺ de bewijslast bij de eiser, en dit betekent dat de verweerder onschuldig is tot het tegendeel is bewezen; in de tweede overlevering legde de Boodschapper van Allah ﷺ uit dat de bewijslast in de basis door de eiser moet worden geleverd. Dit dient als bewijs dat de verweerder onschuldig is tot het tegendeel is bewezen.”
“There came a person from Hadramaut and another from Kinda to the Prophet (pbuh) . One who had come from Hadramaut said: Messenger of Allah (pbuh), only this man has appropriated my land which belonged to my father. The one who had came from Kinda contended. This is my land and is in my possession: I cultivate it. There is no right for him in it. The Messenger of Allah (pbuh) said to the Hadramite: Have you any evidence (to support you)? He replied in the negative. The Prophet (pbuh) said: Then your case is to be decided on his oath. He (the Hadramite) said: Messenger of Allah (pbuh), he is a liar and cares not what he swears and has no regard for anything. Upon this the Messenger of Allah (pbuh) remarked: For you then there is no other help to it.” He said: “You have no other rights over him but this” (reported by Muslim). He also said, “But, the onus of proof is upon the claimant, and the taking of an oath is upon him who denies.”(reported by Al-Bayhaqi with a Sahih chain). In the first narration, the Messenger of Allah (pbuh) commissioned the plaintiff with the proof, and this means that the defendant is innocent until proven guilty; in the second narration, the Messenger of Allah (pbuh) explained that in origin, the proof should be provided by the plaintiff. This serves as evidence that the defendant is innocent until proven guilty.
Wat betreft het tweede punt, het bewijs hiervan is afgeleid van de uitspraak van de Boodschapper van Allah ﷺ.
As for the second matter, its evidence is derived from the saying of the Messenger of Allah (pbuh) ,.
. مَنْ أَخَذْتُ لَهُ مَالاً فَ هَذَا مَالِي فَ لْيَأْخُذْ مِنْهُ، وَمَنْ جَلَدْتُ لَهُ ظَهْراً فَ هَذَا ...« »... ظَهْ رِي فَ لْيَ قْتَصَّ مِنْه .
. مَنْ أَخَذْتُ لَهُ مَالاً فَ هَذَا مَالِي فَ لْيَأْخُذْ مِنْهُ، وَمَنْ جَلَدْتُ لَهُ ظَهْراً فَ هَذَا ...« »... ظَهْ رِي فَ لْيَ قْتَصَّ مِنْه .
“Van wie ik ook eigendom heb afgenomen, hier is mijn eigendom; laat hem daarvan nemen, en van wie ik ook de rug heb geslagen, hier is mijn rug; laat hem die slaan” (overgeleverd door Abu Ya’la van Al-Fadl bin ‘Abbas). Al-Haythami zei dat in de keten van Abu Ya’la Ata’ bin Muslim zit, die Ibn Hibban als betrouwbaar heeft bevestigd terwijl anderen beweerden dat hij zwak is, en de overige mannen zijn betrouwbaar. Het wordt overgeleverd in Al-Mu’jam Al-Awsat van Al-Tabarani met deze bewoording.
“Whoseever property I have taken from, here is my property; let him take from it, and whosever back I have lashed, here is my back; let him lash it” (reported by Abu Ya’la from Al- Fadl bin ‘Abbas). Al-Haythami said that in the chain of Abu Ya’la Ata’ bin Muslim, who Ibn Hibban verified as trustworthy whereas others claimed he is weak, and the remainder of the men are trustworthy. It is narrated in Al-Mu’jam Al-Awsat of Al- Tabarani with the wording.
. "فَمَنْ كنتُ جَلَدْتُ لَهُ ظ هْراً فَهذا ظَهري فَ لْيَسْتَقِدْ مِنْهُ وَمَنْ كنتُ شَتَمْتُ لَهُ عِرْضاً فَهذا عِرْضي فَ لْيَسْتَقِدْ مِنْهُ ومَنْ كنتُ أَخَذْتُ له مالاً فهذا مالي فَ لْيَسْتَقِدْ منه" .
. "فَمَنْ كنتُ جَلَدْتُ لَهُ ظ هْراً فَهذا ظَهري فَ لْيَسْتَقِدْ مِنْهُ وَمَنْ كنتُ شَتَمْتُ لَهُ عِرْضاً فَهذا عِرْضي فَ لْيَسْتَقِدْ مِنْهُ ومَنْ كنتُ أَخَذْتُ له مالاً فهذا مالي فَ لْيَسْتَقِدْ منه" .
“Wie ik met de zweep heb geslagen, hier is mijn rug, laat hem hetzelfde met deze doen, en wiens eer ik heb geschonden, hier is mijn eer, laat hem hetzelfde met deze doen, en van wie ik eigendom heb afgenomen, hier is het mijne; laat hem hetzelfde met dit doen.” En in Ibn Kathir’s Al-Bidayah Wa-Nihayah kwam het met deze bewoording.
“Whosever back I have lashed, here is my back, let him do the same to it, and whosever honour I have abused, here is my honour, let him do the same to it, and whosoever property I have taken from, here is my mine; let him do the same to it”. And in Ibn Kathir’s Al-Bidayah Wa-Nihayah it came with the wording.
. "أَلا فَمَنْ كنتُ جَلَدْتُ له ظَهراً فهذا ظهري فَ لْيَسْتَقِدْ ومن كنت أخذت له مالا فهذا مالي فَ لْيَأْخُذْ منه ومن كنت شتمت له عِرْضاً فهذا عِرْضي فليستقد" .
. "أَلا فَمَنْ كنتُ جَلَدْتُ له ظَهراً فهذا ظهري فَ لْيَسْتَقِدْ ومن كنت أخذت له مالا فهذا مالي فَ لْيَأْخُذْ منه ومن كنت شتمت له عِرْضاً فهذا عِرْضي فليستقد" .
“Wie ik met de zweep heb geslagen, hier is de mijne, laat hem hetzelfde met haar doen, en van wie ik eigendom heb afgenomen, hier is de mijne, laat hem daaruit nemen, en wiens eer ik heb aangetast, hier is mijn eer, laat hem hetzelfde doen.” De Boodschapper van Allah ﷺ zei dit in zijn hoedanigheid als heerser; het betekent dat degene die onterecht is gestraft, wraak op mij mag nemen, en dit dient als bewijs dat de heerser verbiedt om een van de onderdanen te straffen zonder de aanklacht waarvoor hij die straf verdient, vast te stellen. Ook wordt er in het verhaal van de Mula’anah (de beschuldiging van de echtgenoot tegen zijn echtgenote wegens overspel zonder getuigen) overgeleverd dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei.
“Whosever back I have lashed, here is mine, let him do the same to it, and whosoever property I have taken from, here is mine, so take from it, and whosever honour I have abused, here is my honour, let him do the same”. The Messenger of Allah (pbuh) said this in his capacity as a ruler; it means let the one who has been wrongly punished retaliate against me and this serves as evidence prohibiting the ruler from punishing any of the subjects without establishing the charge for which he deserves such punishment. Also, it is reported in the story of the Mula’anah (husband’s accusation of his spouse of adultery without witnesses) that the Messenger of Allah (pbuh) said.
.» لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
.» لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
“Als ik iemand zonder bewijs zou stenen, dan zou ik haar stenen” (overeengekomen en de bewoording is van Muslim), en dit betekent dat hij haar niet heeft gestreend vanwege het ontbreken van duidelijk bewijs, ook al was er twijfel over haar. Dit begrip wordt bevestigd door wat is overgeleverd door Ibn Abbas in de overlevering waarin de Boodschapper van Allah ﷺ beval dat een Mula’anah tussen het echtpaar werd uitgevoerd (zie Koran 24: 4-9), waar de tekst zegt: “Toen zei een man in de vergadering tegen Ibn Abbas: “Is zij de vrouw over wie de Boodschapper van Allah ﷺ zei:
“If I were going to have anyone stoned without proof, I would stone her” (agreed upon and the wording is from Muslim), and this means that he did not stone her due to the absence of clear proof even though there was doubt over her. This understanding is confirmed by what is narrated by Ibn Abbas in the narration in which the Messenger of Allah (pbuh) ordered a Mula’anah to be carried out between the couple (refer to Quran 24: 4-9), where the text says “So a man at the gathering said to Ibn Abbas: “Is she the woman about whom the Messenger of Allah (pbuh) said:
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
“Als ik iemand zonder bewijs zou stenen, dan zou ik een dergelijk persoon stenen.”
“If I were going to have anyone stoned without proof, I would stone such?”.
Hij zei: “Nee, dat was een vrouw die argwaan wekte door haar openlijke wangedrag” (overeengekomen), wat betekent dat zij onbezonnen was, maar dat dit niet bewezen was; noch door bewijs en noch door bekentenis. Dit betekent dat de verdenking van overspel aanwezig was, maar dat de Boodschapper van Allah ﷺ haar desondanks niet stenigde, omdat het niet was bevestigd, en dus zei hij:
He said: “No, that was a woman who arouse suspicion by her outright misbehavior” (agreed upon), meaning that she used to be indiscreet but it was not proven; neither through evidence and nor through admission. This means that the suspicion of adultery was there, but despite this the Messenger of Allah (pbuh) did not stone her, for it had not been confirmed, and so he said:
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَ يْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْ تُ هَا « .
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَ يْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْ تُ هَا « .
“Als ik iemand zou stenen, dan zou ik haar laten stenen”. Het voegwoord “als” duidt in de Arabische taal op onthouding vanwege de afwezigheid van iets, waardoor de steniging niet werd uitgevoerd vanwege het ontbreken van bewijs. Dit dient als bewijs dat het is verboden voor de heerser om een straf op te leggen aan iemand onder de onderdanen, tenzij hij of zij een misdaad begaat die de sharia als een misdaad beschouwt, en zodra het plegen van de misdaad is bewezen voor een bevoegde rechter en in een rechtbank, omdat het bewijs niet toelaatbaar kan zijn tenzij het is vastgesteld voor een bevoegde rechter en in een rechtbank.
“If I were to stone anyone, I would have her stoned”. The conjunction “if” in the Arabic language denotes abstention due to the absence of something, thus the stoning was not carried out due to the absence of evidence. This serves as evidence that the ruler is forbidden from imposing a penalty on anyone from among the subjects, unless he or she perpetrates a crime which the Shari’ah deems to be a crime, and once his or her perpetration of the crime has been proven before a competent judge and in a court of law, because the evidence could not be admissible unless it is established before a competent judge and in a court of law.
De heerser behoudt zich echter het recht voor om iemand die van een misdaad wordt beschuldigd in hechtenis te nemen voordat de beschuldiging is vastgesteld, in afwachting van een gerechtelijke verschijning om de tegen hem ingediende beschuldiging te onderzoeken. De detentie moet echter voor een beperkte periode zijn en het zou onjuist zijn om de beschuldigde voor een onbepaalde periode vast te houden. Deze periode moet kort zijn. Bewijs voor de toelaatbaarheid van het detineren van de beschuldigde is afgeleid van wat Al-Tirmidhi heeft overgeleverd in een Hasan-overlevering, die Ahmad ook heeft overgeleverd, en Al-Hakim stelde dat de overlevering een Sahih-keten heeft, op gezag van Bahz bin Hakim via zijn vader via zijn grootvader, die zei:
However, the ruler reserves the right to take someone accused of a crime into custody before the charge is established, pending a court appearance to look into the charge brought against him. However, the detention should be for a limited period of time and it would be wrong to detain the accused for an indefinite period. This period must be short. Evidence about the permissibility of detaining the accused is derived from what Al- Tirmidhi reported in a Hasan narration, which Ahmad also reported, and Al-Hakim stated that the narration has a Sahih chain, on the authority of Bahz bin Hakim on that of his father on that of his grandfather who said:
. » حَبَسَ رَجُلاً فِي تُ هْمَةٍ، ثُمَّ خَلَّى عَنْه أَنَّ النَّبِيَّ « .
. » حَبَسَ رَجُلاً فِي تُ هْمَةٍ، ثُمَّ خَلَّى عَنْه أَنَّ النَّبِيَّ « .
“De Boodschapper van Allah ﷺ hield een persoon vast die van een misdaad werd beschuldigd en daarna liet hij hem vrij.” Het is ook op soortgelijke wijze overgeleverd door Al-Hakim op gezag van Abu Hurayrah dat.
“The Messenger of Allah (pbuh) detained a person accused of a crime and then he released him.” It has also been reported similarly by Al-Hakim on the authority of Abu Hurayrah that.
. » حَبَسَ فِي تُ هْمَةٍ ي وَْماً وَلَيْ لَة أَنَّ النَّبِيَّ « .
. » حَبَسَ فِي تُ هْمَةٍ ي وَْماً وَلَيْ لَة أَنَّ النَّبِيَّ « .
“De Boodschapper van Allah ﷺ hield iemand die van een misdaad werd beschuldigd een dag en een nacht vast”, en hoewel de keten Ibrahim bin Khaitam bevat over wie discussie bestaat, is het ook via andere ketens overgeleverd door Al-Bayhaqi in Al-Kubra en Ibn Al-Jarud in Al-Muntaqi op gezag van Bahzi bin Hakim bin Mu’awiyah, op gezag van zijn vader, op gezag van zijn grootvader:
“The Messenger of Allah (pbuh) detained someone accused of a crime for a day and a night”, and though the chain includes Ibrahim bin Khaitam who there is dispute over, it has also been reported though other chains by Al-Bayhaqi in Al-Kubra and Ibn Al-Jarud in Al-Muntaqi on the authority of Bahzi bin Hakim bin Mu’awiyah on that of his father on that of his grandfather:
. حَ بَسَ رَجُلاً في تُ هْمَةٍ ساعةً مِنْ نَهارٍ ثُمَّ خَلَّى عنه" "أنَّ النبيَّ .
. حَ بَسَ رَجُلاً في تُ هْمَةٍ ساعةً مِنْ نَهارٍ ثُمَّ خَلَّى عنه" "أنَّ النبيَّ .
“De Profeet ﷺ hield iemand die van een misdaad werd beschuldigd een uur lang vast tijdens de dag en liet hem daarna vrij”. Dit alles is een bewijs voor de verplichting om de periode van detentie te beperken, en dat deze zo kort mogelijk moet zijn, aangezien de Boodschapper van Allah ﷺ hem een dag en een nacht vasthield, en dat hij hem een uur lang vasthield tijdens de dag. Bovendien is deze detentie geen straf, maar is het eerder een detentie gericht op het helpen bij de verhoren.
“The Prophet (pbuh) detained someone accused of a crime for an hour during the day and then released him”. All of this is evidence about the obligation of limiting the period of detention, and that it should be for the shortest time possible, since the Messenger of Allah (pbuh) detained him for a day and a night, and that he detained him for an hour during the day. Besides, this detention is not a punishment, but it is rather a detention aimed at helping with the enquiries.
Wat betreft het derde punt, dit duidt op het verbod om een straf op te leggen aan de beschuldigde voordat de aanklacht tegen hem is vastgesteld; het duidt ook op het verbod om een straf op te leggen die Allah (SWT) als straf in het hiernamaals heeft ingesteld, namelijk het Vuur, met andere woorden, het verbod op straffen door verbranding met vuur. Wat betreft het verbod op het toebrengen van een straf voordat de aanklacht is vastgesteld, het bewijs hiervoor is afgeleid uit de overlevering van de Boodschapper van Allah ﷺ waarin werd gerapporteerd dat hij zei.
As for the third matter, it denotes the prohibition of imposing a penalty upon the accused before the charge against him has been established; it also denotes the prohibition of imposing a penalty which Allah (swt) has made as a punishment in the hereafter, that is the Hellfire, in other words, the prohibition of punishing by burning with fire. As for the prohibition of inflicting a punishment before establishing the charge, its evidence is derived from the narration of the Messenger of Allah (pbuh) in which he was reported to have said.
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
. » لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
“Als ik iemand zou stenen zonder bewijs, dan zou ik haar stenen” (overeengekomen in de overlevering van Ibn Abbas), ondanks het feit dat zij bekend stond als een overspelige, volgens wat wordt begrepen uit de woorden van Ibn Abbas. Indien het passend zou zijn om de beschuldigde te straffen om hem te laten bekennen, zou de Boodschapper van Allah ﷺ die vrouw hebben gemarteld om haar te laten bekennen, wetende dat zij onvoorzichtig was geweest met haar ongeoorloofde gedrag. Het is absoluut verboden om de beschuldigde te straffen en, daarom, het is verboden om de beschuldigde te slaan voordat de beschuldiging is vastgesteld. Het is ook verboden hem te beledigen of hem enige straf op te leggen zolang zijn schuld niet is bevestigd. Dit wordt ondersteund door wat er is overgeleverd van Ibn Abbas: . فَ لَمَّا شَرِبَ رَجُلٌ فَسَكِرَ، فَ لُقِيَ يَمِيلُ فِي الْفَجِّ، فَانْطُلِقَ بِهِ إِلَى النَّبِيِّ « حَاذَى بِدَارِ الْعَبَّاسِ انْ فَلَتَ فَدَخَلَ عَلَى الْعَبَّاسِ فَالْتَ زَمَ هُ، فَذُكِرَ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ » فَضَحِكَ وَقَالَ: أَفَ عَلَهَا وَلَمْ يَأْمُرْ فِيهِ بِشَيْءٍ .
“If I were to have someone stoned without proof, I would have her stoned” (agreed upon from the narration of Ibn Abbas), despite the fact that she was known to be an adulteress according to what is understood from the words of Ibn Abbas. If it were fitting to inflict punishment upon the accused in order to make them confess, the Messenger of Allah (pbuh) would have tortured that woman to make her confess, knowing that she was indiscreet about her illicit behaviour. It is absolutely forbidden to punish the accused and ,therefore, it is forbidden to beat the accused before the charge has been established. It is also forbidden to insult him or to inflict upon him any punishment as long as his guilt has not been confirmed. This is supported by what has been narrated from Ibn Abbas: . فَ لَمَّا شَرِبَ رَجُلٌ فَسَكِرَ، فَ لُقِيَ يَمِيلُ فِي الْفَجِّ، فَانْطُلِقَ بِهِ إِلَى النَّبِيِّ « حَاذَى بِدَارِ الْعَبَّاسِ انْ فَلَتَ فَدَخَلَ عَلَى الْعَبَّاسِ فَالْتَ زَمَ هُ، فَذُكِرَ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ » فَضَحِكَ وَقَالَ: أَفَ عَلَهَا وَلَمْ يَأْمُرْ فِيهِ بِشَيْءٍ .
“Een man die wijn had gedronken en dronken was geworden, werd wankelend op de weg gevonden, waarna hij naar de Profeet ﷺ werd gebracht. Toen hij tegenover het huis van Al-Abbas stond, ontsnapte hij en ging hij het huis van Al-Abbas binnen, waarna hij hem vastgreep. Toen dat aan de Profeet ﷺ werd gemeld, lachte hij en zei: Deed hij dat? En hij gaf geen bevel met betrekking tot hem.” (overgeleverd door Abu Dawud en Ahmad, met de bewoording van Abu Dawud). De Boodschapper van Allah ﷺ paste de straf dus niet toe op die man, omdat hij niet bekende en de beschuldigingen tegen hem ook niet in zijn aanwezigheid waren vastgesteld. Dit betekent dat hij werd beschuldigd van dronkenschap, maar dat dit niet werd bevestigd, en hij werd dus niet gemarteld om hem tot een bekentenis te dwingen, en er werd geen straf opgelegd enkel op basis van de loutere beschuldiging. Daarom zou het onjuist zijn om enige straf op te leggen aan de beschuldigde voordat de beschuldiging is vastgesteld voor een bevoegde rechter en in een rechtbank.
“A man who had drunk wine and become intoxicated was found staggering on the road, so he was taken to the Prophet (pbuh) . When he was opposite Al-Abbas's house, he escaped, and entered Al-Abbas’s house, so he grasped hold of him. When that was mentioned to the Prophet (pbuh) , he laughed and said: Did he do that? and he gave no command regarding him.” (reported by Abu Dawud and Ahmad, with the wording from Abu Dawud). So the Messenger of Allah (pbuh) did not apply the punishment upon that man because he did not confess and nor were the charges against him established in his presence. This means that he was accused of drunkenness but this was not confirmed and thus he was not tortured in order to make him confess and no penalty was imposed upon him just for the mere accusation. Therefore, it would be wrong to inflict any punishment on the accused prior to the establishment of the charge before a competent judge and in a court of law.
Wat betreft de verslagen over het incident van “Al-Ifk” (de leugen), waarbij ‘Ali (vrede zij met hem) het slavinnesgeslacht sloeg voor de Boodschapper van Allah ﷺ, moet worden erkend dat de slavinnes niet werd beschuldigd, en dus kan dit niet worden gebruikt als bewijs voor de toelaatbaarheid van het slaan van een beschuldigde. Naast de overlevering dat ‘Ali (vrede zij met hem) Burayrah sloeg, de slavinnes van de Boodschapper van Allah ﷺ, werd dit gerapporteerd door Bukhari, en hij zei dat ‘Ali (vrede zij met hem) tegen de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Vraag het aan de slavinnes”. Het was de Boodschapper van Allah ﷺ die de vraag stelde. Bukhari vermeldde niet dat ‘Ali (vrede zij met hem) de slavinnes had geslagen. Om te citeren uit de overlevering.
As for the reports of “Al-Ifk” (the lie) incident that ‘Ali (ra) beat the slave-girl before the Messenger of Allah (pbuh) , it should be recognised that the slave-girl was not accused, thus it cannot be used as evidence denoting the permissibility of beating the accused. Besides the narration of ‘Ali’s (ra) beating of Burayrah, the Messenger of Allah (pbuh)’s slave-girl, was reported by Bukhari and he said that ‘Ali (ra) said to the Messenger of Allah (pbuh) “Ask the slave-girl”. It was the Messenger of Allah (pbuh) who did the asking. Bukhari did not mention that ‘Ali (ra) had beaten the slave-girl. To quote from the narration.
. وَأَمَّا عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ فَ قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، لَمْ يُضَيِّقِ اللَّهُ عَلَيْكَ وَالنِّسَاءُ، « بَرِيرَةَ فَ قَالَ: سِوَاهَا كَثِيرٌ، وَإِنْ تَسْأَلِ الْجَارِيَةَ تَصْدُقْكَ، قَالَتْ: فَدَعَا رَسُولُ اللَّهِ » أَيْ بَرِيرَة .
. وَأَمَّا عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ فَ قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، لَمْ يُضَيِّقِ اللَّهُ عَلَيْكَ وَالنِّسَاءُ، « بَرِيرَةَ فَ قَالَ: سِوَاهَا كَثِيرٌ، وَإِنْ تَسْأَلِ الْجَارِيَةَ تَصْدُقْكَ، قَالَتْ: فَدَعَا رَسُولُ اللَّهِ » أَيْ بَرِيرَة .
‘Ali bin Abi Talib zei: "O Boodschapper van Allah ﷺ, Allah heeft het u niet moeilijk gemaakt en er zijn vele andere vrouwen naast haar, en als u de slavin vraagt, zal zij u de waarheid vertellen." Waarna de Boodschapper van Allah ﷺ de slavin riep en zei: "O Burayrah!..." In een andere overlevering van Al-Bukhari werd het volgende gerapporteerd:
“‘Ali bin Abi Talib said O Messenger of Allah (pbuh) , Allah has not made it hard upon you and there are plenty of other women other her, and if you ask the slave-girl, she will tell you the truth.” So the Messenger of Allah (pbuh) summoned the slavegirl and said: “O Burayrah!…” In another narration from Al- Bukhari, it was reported:
بَ يْتِي فَسَأَلَ عَنِّي خَادِمَتِي، فَ قَالَتْ: لاَ وَاللَّهِ، مَا وَلَقَدْ جَاءَ رَسُولُ اللَّهِ « عَلِمْتُ عَلَيْ هَا عَيْبًا إِلاَّ أَن هََّا كَانَتْ تَ رْقُدُ حَتَّى تَدْخُلَ الشَّاةُ فَ تَأْكُلَ خَمِيرَهَا أَوْ عَجِينَ هَا، » حَتَّى أَسْقَطُوا لَهَا بِهِ وَانْ تَ هَرَهَا بَ عْضُ أَصْحَابِهِ فَ قَالَ: اصْدُقِي رَسُولَ اللَّهِ .
بَ يْتِي فَسَأَلَ عَنِّي خَادِمَتِي، فَ قَالَتْ: لاَ وَاللَّهِ، مَا وَلَقَدْ جَاءَ رَسُولُ اللَّهِ « عَلِمْتُ عَلَيْ هَا عَيْبًا إِلاَّ أَن هََّا كَانَتْ تَ رْقُدُ حَتَّى تَدْخُلَ الشَّاةُ فَ تَأْكُلَ خَمِيرَهَا أَوْ عَجِينَ هَا، » حَتَّى أَسْقَطُوا لَهَا بِهِ وَانْ تَ هَرَهَا بَ عْضُ أَصْحَابِهِ فَ قَالَ: اصْدُقِي رَسُولَ اللَّهِ .
“De Boodschapper van Allah ﷺ kwam naar mijn huis en vroeg naar mijn slavin; zij zei: “Nee, bij Allah, ik weet van geen enkele fout aan haar, behalve dat zij zo diep sliep dat de schapen naar binnen gingen en haar deeg opaten.” Sommige van zijn metgezellen berispte haar en zeiden: “Spreek de waarheid tegen de Boodschapper van Allah ﷺ…”, en Al-Bukhari vermeldde niet dat ‘Ali (vrede zij met hem) de slavin had geslagen. Echter, in andere overleveringen werd vermeld dat ‘Ali (vrede zij met hem) de slavin had geslagen. Ibn Hisham vermeldde dat hij haar inderdaad geslagen had. In de Seerah van Ibn Hisham werd het volgende gerapporteerd:
“The Messenger of Allah (pbuh) came to my house and asked about my slave-girl; she said: “No by Allah, I do not know of any fault in her other than that she would sleep to the point that the sheep would enter and eat her dough. Some of his companions rebuked her and said: “Tell the truth to the Messenger of Allah (pbuh)…”, and Al-Bukhari did not mention that ‘Ali (ra) had beaten the slave-girl. However, in other reports, it was mentioned that ‘Ali (ra) had beaten the slave-girl. Ibn Hisham mentioned that he did beat her. In the Sirah of Ibn Hisham it was reported:
وَأَمَّا عَلِيٌ فَإِنَّهُ قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ إِنَّ النِّسَاءَ كَثِيرٌ، وَإِنَّكَ لَقَادِرٌ عَلَى أَنْ « بَرِيرَةَ لِيَسْ أَلَهَا، تَسْ تَخْ لِ فَ، وَسَ لِ الْجَ ارِيَ ةَ فَإِن هََّا سَ تَ صْ دُقُ كَ، فَدَعَا رَسُ ولُ اللَّهِ ، فَ قَامَ إِلَيْ هَا عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ فَضَ رَبَ هَا ضَرْباً شَدِيداً وَيَ قُولُ: اصْدُقِي رَسُ ولَ اللَّهِ » قَ الَ تْ، فَ تَ قُولُ: واللَّهِ مَا أَعْلَمُ إِلاَّ خَيْر اً .
وَأَمَّا عَلِيٌ فَإِنَّهُ قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ إِنَّ النِّسَاءَ كَثِيرٌ، وَإِنَّكَ لَقَادِرٌ عَلَى أَنْ « بَرِيرَةَ لِيَسْ أَلَهَا، تَسْ تَخْ لِ فَ، وَسَ لِ الْجَ ارِيَ ةَ فَإِن هََّا سَ تَ صْ دُقُ كَ، فَدَعَا رَسُ ولُ اللَّهِ ، فَ قَامَ إِلَيْ هَا عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ فَضَ رَبَ هَا ضَرْباً شَدِيداً وَيَ قُولُ: اصْدُقِي رَسُ ولَ اللَّهِ » قَ الَ تْ، فَ تَ قُولُ: واللَّهِ مَا أَعْلَمُ إِلاَّ خَيْر اً .
“Wat ‘Ali betreft, hij zei: “O Boodschapper van Allah ﷺ, de vrouwen zijn talrijk, en u kunt gemakkelijk de een voor de ander nemen. Vraag het slavinnetje, want zij zal u de waarheid vertellen.” Waarop de Boodschapper van Allah ﷺ Burayrah riep om haar te vragen, en ‘Ali stond op en gaf haar een hevige mishandeling, en zei: “Vertel de Boodschapper van Allah ﷺ de waarheid.” Waarop zij antwoordde: “Ik weet alleen het goede van haar.” Uitgaande van het feit dat dit verslag betrouwbaar is, stipuleert het echter niet de toelaatbaarheid van het slaan van de beschuldigde, omdat het slavinnetje Burayrah in dit geval niet beschuldigd werd en er niet gezegd kan worden dat zij een getuige was. Zij werd niet geslagen omdat zij een getuige was, want de Boodschapper van Allah ﷺ vroeg wel aan andere mensen, maar sloeg hen niet. Hij vroeg het Zaynab Bint Jahsh, en hij sloeg haar niet, ondanks het feit dat haar zus Hamnah Bint Jahsh geruchten verspreidde over ‘Aisha (vrede zij met haar), zoals Al-Bukahri rapporteerde in de overlevering van Al-Ifk:
“As for ‘Ali, he said: “O Messenger of Allah (pbuh) Women are many, and you can easily take one for another. Ask the slave-girl, for she will tell you the truth.” So the Messenger of Allah (pbuh) called Burayrah to ask her, and ‘Ali got up and gave her a violent beating, and said: “Tell the Messenger of Allah (pbuh) the truth.” To which she replied: “I know only good of her”. Assuming that this report is sound, it however does not stipulate the permissibility of beating the accused, because the slave-girl Burayrah was not accused in this case and it cannot be said that she was a witness. She was not beaten for being a witness because the Messenger of Allah (pbuh) did ask other people but did not beat them. He asked Zaynab Bint Jahsh and he did not beat her, despite the fact that her sister Hamnah Bint Jahsh used to spread rumours about 'Aisha (ra) as Al-Bukahri reported in the narration of Al-Ifk:
. » قَالَتْ وَطَفِقَتْ أُخْتُ هَا حَمْنَةُ تُحَارِبُ لَهَا، فَ هَلَكَتْ فِيمَنْ هَلَكَ « .
. » قَالَتْ وَطَفِقَتْ أُخْتُ هَا حَمْنَةُ تُحَارِبُ لَهَا، فَ هَلَكَتْ فِيمَنْ هَلَكَ « .
“Zij zei: haar zus Hamna ging haar strijd aan; zij kwam om het leven samen met degenen die omkwamen”. Daarom werd Zaynab ervan verdacht iets te weten en werd zij verhoord, maar zij werd nooit geslagen. Het zou daarom onjuist zijn om te zeggen dat Burayrah werd geslagen in haar hoedanigheid als getuige; zij werd eerder geslagen in haar hoedanigheid als de slavin van de Boodschapper van Allah ﷺ. De Boodschapper van Allah ﷺ is gerechtigd zijn slavin te slaan en haar slaan te bevelen. De Boodschapper van Allah ﷺ vroeg zijn slavin om verhoor en hij vroeg ook anderen, en tegelijkertijd bleef hij zwijgend over het slaan van de slavin door Ali (ra) en over het berispen van haar door de metgezellen. Hij sloeg echter geen ander persoon en hij bleef ook niet zwijgend over het slaan van een ander persoon, wat aangeeft dat hij haar slaan toestond omdat zij zijn slavin was, en men is gerechtigd zijn slavin te slaan om haar te disciplineren of om een zaak te onderzoeken. Daarom kan deze overlevering niet worden gebruikt als bewijs voor de toelaatbaarheid van het slaan van de beschuldigde, en het bewijs met betrekking tot het verbod op het slaan van hem blijft overeind; dit wordt weerspiegeld in de uitspraak van de Boodschapper van Allah ﷺ: « لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَيِّنَةٍ لَرَجَمْتُهَا ».
“She said: her sister Hamna set about fighting her battle; she perished alongside those who perished”. Hence, Zaynab was suspected of knowing something and she was questioned, but she was never beaten. Therefore, it would be wrong to say that Burayrah was beaten in her quality as a witness; rather, she was rather beaten in her quality as the slave-girl of the Messenger of Allah (pbuh) . The Messenger of Allah (pbuh) is entitled to beat his slave-girl and to order her beating. The Messenger of Allah (pbuh) did ask his slave-girl and he asked others as well and at the same time he kept silent over Ali’s (ra) beating of the slavegirl and over the companions reprimanding her. However he did not beat any other person and nor did he keep silent over the beating of any other person, which indicates that he permitted her beating because she was his slave-girl, and one is entitled to beat his slave-girl in order to discipline her or to investigate a matter. Therefore, this narration cannot be used as evidence about the permissibility of beating the accused and the evidence pertaining to the prohibition of his beating stands; this is reflected in the saying of the Messenger of Allah (pbuh) : .» لَوْ كُنْتُ رَاجِمًا أَحَدًا بِغَيْرِ بَ يِّ نَةٍ لَرَجَمْتُ هَا « .
“Als ik iemand zou stenen zonder bewijs, dan zou ik haar laten stenen.” (overeengekomen door Ibn Abbas). Daarom is het absoluut verboden om de beschuldigde te slaan, te beledigen, te berispen of te martelen. Het is echter toegestaan hem vast te houden, omdat hiervoor bewijs bestaat. Dit betreft de beperking van het opleggen van een straf aan de beschuldigde voordat de aanklacht is vastgesteld. Wat betreft het verbod op het opleggen van een straf die Allah (SWT) als straf in het Hiernamaals heeft ingesteld, dan vindt het bewijs hiervoor weerklank in wat Al-Bukhari rapporteerde op gezag van ‘Ikrimah, die zei:
“If I were to stone someone without proof, I would have her stoned.” (agreed upon from Ibn Abbas). Therefore, it is absolutely forbidden to beat, insult, reprimand or torture the accused. It is however permitted to detain him because evidence exists about this. This is as far as the prohibition of inflicting punishment upon the accused prior to establishing the charge is concerned. As for the prohibition of inflicting a punishment which Allah (swt) has made a punishment in the Hereafter, its evidence is reflected in what Al-Bukhari reported on the authority of ‘Ikrimah who said:
. أُتِيَ عَلِ ي رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ بِزَنَادِقَةٍ فَأَحْرَقَ هُمْ، فَ بَ لَغَ ذَلِكَ ابْنَ عَبَّاسٍ فَ قَالَ: لَوْ « » لاَ تُ عَذِّبُوا بِعَذَابِ اللَّهِ كُنْتُ أَنَا لَمْ أُحْرِقْ هُمْ لِنَ هْيِ رَسُولِ اللَّهِ .
. أُتِيَ عَلِ ي رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ بِزَنَادِقَةٍ فَأَحْرَقَ هُمْ، فَ بَ لَغَ ذَلِكَ ابْنَ عَبَّاسٍ فَ قَالَ: لَوْ « » لاَ تُ عَذِّبُوا بِعَذَابِ اللَّهِ كُنْتُ أَنَا لَمْ أُحْرِقْ هُمْ لِنَ هْيِ رَسُولِ اللَّهِ .
“Enkele Zanadiqa (atheïsten) werden naar `Ali gebracht en hij verbrandde hen. Het nieuws van deze gebeurtenis bereikte Ibn `Abbas, die zei: 'Als ik op zijn plaats was geweest, zou ik hen niet hebben verbrand, aangezien de Profeet van Allah ﷺ dit verbood door te zeggen: "Straf niemand met de straf van Allah (het vuur)."'. Al-Bukhari overleverde op gezag van Abu Hurayrah dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei.”
“Some Zanadiqa (atheists) were brought to `Ali and he burnt them. The news of this event, reached Ibn `Abbas who said, "If I had been in his place, I would not have burnt them, as Allah's Prophet (phuh) forbade it, saying, 'Do not punish anybody with Allah's punishment (fire).”. Al-Bukhari narrated on the authority of Abu Hurayrah that the Messenger of Allah (pbuh) said .
. » وَإِنَّ النَّارَ لا ي عَُذِّبُ بِهَا إِلاَّ اللَّه « .
. » وَإِنَّ النَّارَ لا ي عَُذِّبُ بِهَا إِلاَّ اللَّه « .
“Het is niets anders dan Allah die met vuur straft”. Abu Dawud rapporteerde vanuit de overlevering van Ibn Mas’ud met de woorden.
“it is none but Allah Who punishes with fire”. Abu Dawud reported from the narration of Ibn Mas’ud with the words,.
. » فَإِنَّهُ لا ي عَُذِّبُ بِالنَّارِ إِلاَّ رَبُّ النَّارِ « .
. » فَإِنَّهُ لا ي عَُذِّبُ بِالنَّارِ إِلاَّ رَبُّ النَّارِ « .
“want niemand straft met vuur behalve de Heer van het vuur”. Daarom, indien de beschuldigde voor een bevoegde rechter in een rechtbank is gebracht en is aangetoond dat hij het misdrijf heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, mag hij niet worden gestraft met vuur, noch met iets dat daarop lijkt, zoals elektriciteit, noch met iets anders waarmee Allah (SWT) straft. Bovendien is het verboden om enige straf toe te brengen die niet is bepaald door de Wetgever (SWT). Dit is omdat de Wetgever (SWT) de straffen heeft vastgesteld die aan de schuldigen moeten worden opgelegd, en dit zijn de doodstraf, geseling, steniging, verbanning, amputatie en gevangenschap, vernietiging van eigendom, het opleggen van een boete, vernedering en het brandmerken van een deel van het lichaam. Naast deze zijn het verboden om enig ander type straf aan iemand toe te brengen. Daarom mag niemand worden gestraft door te worden verbrand met vuur, hoewel het toegestaan is zijn eigendom te verbranden, en niemand mag worden gestraft door het uittrekken van zijn nagels, noch door het uittrekken van zijn wenkbrauwen, noch door elektrocutie, noch door verdrinking, noch door het over hem heen gieten van koud water, noch door hem uit te hongeren, noch door hem te laten verstarren door kou, noch door iets dergelijks. Het straffen van de beschuldigde moet beperkt blijven tot de straffen die zijn bepaald door de sharia, en het is de heerser verboden om enige andere vorm van straf toe te passen buiten deze. Daarom is het absoluut verboden om iemand te martelen, en wie dat doet, zal de sharia schenden. Indien vaststaat dat iemand een ander heeft gemarteld, zal hij worden gestraft. Dit zijn de bewijzen van dit artikel.
“for no one punishes with fire except the Lord of the fire”. Therefore, if the accused was brought before a competent judge in a court of law and shown to have committed the crime he was accused of, he should not be punished by fire, nor by that which is similar to it, such as electricity and nor by anything else which Allah (swt) punishes with. Furthermore, it is forbidden to inflict any punishment from among those not decreed by the Legislator (swt). This is so because the Legislator (swt) has determined the punishments to be imposed upon the guilty parties, and these are killing, lashing, stoning, exile, cutting, and imprisonment, destruction of property, imposing a fine, vilification and branding any part of the body. Apart from these, it is forbidden to inflict any other type of punishment upon anyone. Hence, no one should be punished by burning with fire, though it is permitted to burn his property, and nor should anyone be punished by pulling his nails, nor by pulling his eyebrows, nor by electrocution, nor by drowning, nor by pouring cold water over him, nor by starving him, nor by letting him go cold and nor by anything similar. Punishing the accused should be confined to the penalties decreed by the Shari’ah and the ruler is forbidden from applying any other form of punishment apart from these. Therefore, it is absolutely forbidden to torture anyone, and whoever does so will be violating the Shari’ah. If it is established that someone has tortured anyone else, he will be punished. These are the evidences of this article.