Artikel 35
Article 35
De moslimgemeenschap (Ummah) is degene die de kalief benoemt. Zij heeft echter niet het recht om hem te ontslaan zodra de eed van trouw is gesloten volgens de methode van de sharia.
The Ummah is the one who appoints the Khalifah. However, it does not possess the right to remove him once the pledge of allegiance has been concluded according to the Shari’ah method.
Dit artikel bestaat uit twee helften; de eerste dat de moslimgemeenschap (Ummah) degene is die het recht heeft om de kalief te benoemen; de tweede dat de moslimgemeenschap (Ummah) niet het recht bezit om hem af te zetten.
This article has two halves; the first that the Ummah is the one who holds the right to appoint the Khalifah; the second being that the Ummah does not possess the right to remove him.
Wat het eerste deel betreft, het bewijs hiervoor zijn de overleveringen met betrekking tot de eed van trouw, aangezien niemand het recht bezit om de positie van het kalifaat op zich te nemen behalve door middel van de eed, omdat de eed de methode is om de kalief aan te stellen. Dit is vastgesteld op basis van de eed van de moslims aan de Boodschapper ﷺ en op basis van het gebod van de Boodschapper ﷺ aan ons met betrekking tot de eed, en het feit dat de rechtvaardige Khulafaa’ het kalifaat alleen op zich namen via de eed van trouw.
As for the first half, the proof for it is the narrations regarding the pledge of allegiance, since no one possesses the right to undertake the position of the Khilafah except through the pledge, because the pledge is the method to appoint the Khalifah. This is established from the pledge of the Muslims to the Messenger (pbuh) and from the command of the Messenger (pbuh) for us regarding the pledge, and that the righteous Khulafaa’ only undertook the Khilafah through the pledge of allegiance.
Wat betreft de tweede helft, het bewijs hiervoor is het gebod om de kalief te gehoorzamen, zelfs als hij iets verwerpelijk doet of onderdrukkend is, zolang het geen duidelijke ongeloof is. Het is overgeleverd door Muslim van Ibn ‘Abbas dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei.
With respect to the second half, its evidence is the order to obey the Khalifah even if he commits something reproachable, or is oppressive, as long as it is not a clear disbelief. It is narrated by Muslim from Ibn ‘Abbas that the Messenger of Allah (pbuh) said.
. مَنْ رَأَى مِنْ أَمِيرِهِ شَيْئًا يَكْرَهُهُ فَ لْيَصْبِرْ، فَإِنَّهُ مَنْ فَارَقَ الْجَمَاعَةَ شِبْ رًا فَمَاتَ « » فَمِيتَةٌ جَاهِلِيَّة .
. مَنْ رَأَى مِنْ أَمِيرِهِ شَيْئًا يَكْرَهُهُ فَ لْيَصْبِرْ، فَإِنَّهُ مَنْ فَارَقَ الْجَمَاعَةَ شِبْ رًا فَمَاتَ « » فَمِيتَةٌ جَاهِلِيَّة .
“Degene die iets in zijn leider (Ameer) vindt waar hij een afkeer van heeft, moet geduldig zijn, want degene die zich losmaakt van de hoofdgroep van de moslims, zelfs voor de breedte van een handbreedte, en vervolgens sterft, zal sterven met de dood van iemand die toebehoorde aan de tijd van onwetendheid (Jahiliyyah).” En het woord “zijn leider (Ameer)” is algemeen, en de kalief valt hieronder aangezien hij de leider (Ameer) van de gelovigen is. En in de overlevering van Yazid b. Salamah Al-Ju’fi in Tabarani waarin hij zei: “O Profeet ﷺ van Allah, wat denkt u als wij heersers hebben die over ons heersen en eisen dat wij onze verplichtingen jegens hen nakomen, maar zij (zelf) hun eigen verantwoordelijkheden jegens ons niet nakomen? Wat gebiedt u ons te doen?” De Boodschapper van Allah ﷺ vermeed het geven van een antwoord. Salama vroeg het hem opnieuw. Hij vermeed (opnieuw) het geven van een antwoord. Toen vroeg hij het nogmaals — het was de tweede of de derde keer — toen Ash'ath b. Qais hem opzij trok en zei:
“One who found in his Amir something which he disliked should hold his patience, for one who separated from the main body of the Muslims even to the extent of a handspan and then he died would die the death of one belonging to the days of Jahiliyya.”, and the word “his Amir” is general, and the Khalifah falls under it since he is the Amir of the believers. And in the narration of Yazid b. Salamah Al-Ju’fi in Tabarani in which he said: “O Prophet (phuh) of Allah, what do you think if we have rulers who rule over us and demand that we discharge our obligations towards them, but they (themselves) do not discharge their own responsibilities towards us? What do you order us to do? The Messenger of Allah (pbuh) avoided giving any answer. Salama asked him again. He (again) avoided giving any answer. Then he asked again-it was the second time or the third time-when Ash'ath b. Qais pulled him aside and said:
. » اسْمَعُوا وَأَطِيعُوا فَإِ نَّمَا عَلَيْهِمْ مَا حُمِّلُوا وَعَلَيْكُمْ مَا حُمِّلْ تُمْ « . Listen to them and obey them, for on them shall he their burden and on you shall be your burden”.
. » اسْمَعُوا وَأَطِيعُوا فَإِ نَّمَا عَلَيْهِمْ مَا حُمِّلُوا وَعَلَيْكُمْ مَا حُمِّلْ تُمْ « . Listen to them and obey them, for on them shall he their burden and on you shall be your burden”.
Al-Bukhari en Muslim hebben overgeleverd (met de bewoordingen hier van Muslim) via ‘Ubadah b. Samit, die zei:
Al-Bukhari and Muslim reported (with the wording here from Muslim) through ‘Ubadah b. Samit who said:
. فَ بَايَ عْنَاهُ فَكَانَ فِيمَا أَخَذَ عَلَيْ نَا أَنْ بَايَ عَنَا عَلَى السَّمْعِ دَعَانَا رَسُولُ اللَّهِ « وَالطَّاعَةِ فِي مَنْشَطِنَا وَمَكْرَهِنَا وَعُسْرِنَا وَيُسْرِنَا وَأَثَ رَةٍ عَلَيْ نَا وَأَنْ لاَ ن نَُازِعَ الأَمْرَ أَهْلَه قَالَ: » إِلاَّ أَنْ تَ رَوْا كُفْرًا بَ وَاحًا عِنْدَكُمْ مِنَ اللَّهِ فِيهِ ب رُْهَانٌ .
. فَ بَايَ عْنَاهُ فَكَانَ فِيمَا أَخَذَ عَلَيْ نَا أَنْ بَايَ عَنَا عَلَى السَّمْعِ دَعَانَا رَسُولُ اللَّهِ « وَالطَّاعَةِ فِي مَنْشَطِنَا وَمَكْرَهِنَا وَعُسْرِنَا وَيُسْرِنَا وَأَثَ رَةٍ عَلَيْ نَا وَأَنْ لاَ ن نَُازِعَ الأَمْرَ أَهْلَه قَالَ: » إِلاَّ أَنْ تَ رَوْا كُفْرًا بَ وَاحًا عِنْدَكُمْ مِنَ اللَّهِ فِيهِ ب رُْهَانٌ .
“De Profeet ﷺ riep ons en wij gaven hem de eed van trouw voor de Islam, en behorend bij de voorwaarden waaronder hij de eed van ons nam, was dat wij moesten luisteren en gehoorzamen (de bevelen), zowel op het moment dat wij actief waren als op het moment dat wij moe waren, en in onze moeilijke tijd en in onze gemakkelijke tijd, en dat wij gehoorzaam moesten zijn aan de heerser en hem zijn recht moesten geven, zelfs als hij ons ons recht niet gaf, en dat wij niet tegen hem mochten strijden, tenzij wij bij hem openlijk ongeloof (Kufr) zagen waarvoor wij een bewijs van Allah met ons zouden hebben.” En er is overgeleverd van Abu Dharr dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: . . يَا أَبَا ذَرٍّ، كَيْفَ أَنْتَ عِنْدَ وُلاَةٍ يَسْتَأْثِرُونَ عَلَيْكَ بِهَذَا الْفَيْءِ ؟ قَالَ: وَالَّذِي « بَ عَثَكَ بِالْحَقِّ، أَضَعُ سَيْفِي عَلَى عَاتِقِي فَأَضْرِبُ بِهِ حَتَّى أَلْحَقَكَ، قَالَ: أَفَلاَ أَدُلُّكَ عَلَى » خَيْرٍ لَكَ مِنْ ذَلِكَ ؟ تَصْبِرُ حَتَّى تَ لْقَانِي .
“The Prophet (phuh) called us and we gave him the Pledge of allegiance for Islam, and among the conditions on which he took the Pledge from us, was that we were to listen and obey (the orders) both at the time when we were active and at the time when we were tired, and at our difficult time and at our ease and to be obedient to the ruler and give him his right even if he did not give us our right, and not to fight against him unless we noticed him having open Kufr (disbelief) for which we would have a proof with us from Allah” And it is narrated from Abu Dharr that the Messenger of Allah (pbuh) said,. . يَا أَبَا ذَرٍّ، كَيْفَ أَنْتَ عِنْدَ وُلاَةٍ يَسْتَأْثِرُونَ عَلَيْكَ بِهَذَا الْفَيْءِ ؟ قَالَ: وَالَّذِي « بَ عَثَكَ بِالْحَقِّ، أَضَعُ سَيْفِي عَلَى عَاتِقِي فَأَضْرِبُ بِهِ حَتَّى أَلْحَقَكَ، قَالَ: أَفَلاَ أَدُلُّكَ عَلَى » خَيْرٍ لَكَ مِنْ ذَلِكَ ؟ تَصْبِرُ حَتَّى تَ لْقَانِي .
“O Abu Dharr, hoe zou je handelen tegenover die gouverneurs die dit buit exclusief voor zichzelf zouden opeisen?” Hij zei: “Bij Degene die u met de Waarheid heeft gezonden, ik zou mijn zwaard over mijn schouder leggen en vervolgens vechten totdat ik u ontmoet (sterf).” Hij zei: “Zal ik u niet vertellen wat beter is dan dat? Heb geduld totdat u mij ontmoet.” (gerapporteerd door Ahmed en authentiek verklaard door Al-Zain, en het is ook gerapporteerd door Abu Dawud).
“O Abu Dharr, how would you act with those governors who would take sole possession of this booty?” He said “By the One who sent you with the Truth, I would place my sword over my shoulder and then fight until I meet with you (die)”. He said, “Should I not tell you what is better than that? Have patience until you meet me” (reported by Ahmed and authenticated by Al-Zain, and it is also reported by Abu Dawud).
In al deze overleveringen handelde de kalief op een wijze die zijn afzetting zou rechtvaardigen, en ondanks dat beval de Boodschapper ﷺ gehoorzaamheid aan hem en geduld met zijn onderdrukking, wat aangeeft dat de moslimgemeenschap (Ummah) niet het recht heeft om de kalief te verwijderen.
In all of these narrations the Khalifah acted in a way that would mandate his removal and despite that the Messenger (pbuh) ordered obedience to him and to be patient over his oppression, which indicates that the Ummah does not have the right to remove the Khalifah.
Daarnaast weigerde de Boodschapper ﷺ de Bedoeïen de mogelijkheid te geven zijn eed van trouw te annuleren. Er is overgeleverd door Jabir Bin ‘Abd Allah dat een Bedoeïen de eed van trouw aflegde aan de Boodschapper van Allah ﷺ en vervolgens ziek werd en zei: “Annuleer mijn eed”, waarop hij weigerde. Daarna kwam hij terug en zei: “Annuleer mijn eed”, waarop hij weer weigerde. De man vertrok toen. De Boodschapper ﷺ zei.
Additionally, the Messenger (pbuh) refused to allow the Bedouin to cancel his pledge of allegiance. It is narrated by Jabir Bin ‘Abd Allah that a Bedouin gave the pledge of allegiance to the Messenger of Allah (pbuh) and then became ill and so said, “Cancel my pledge”, so he refused. Then he returned and said, “Cancel my pledge”, so he refused. So the man left. The Messenger (pbuh) said.
. » إِنَّمَا الْمَدِينَةُ كَالْكِيرِ تَ نْفِي خَبَثَ هَا وَيَ نْصَعُ طَيِّبُ هَا « .
. » إِنَّمَا الْمَدِينَةُ كَالْكِيرِ تَ نْفِي خَبَثَ هَا وَيَ نْصَعُ طَيِّبُ هَا « .
“Madina is als de oven van de smid. Het verwijdert de onzuiverheden en zuivert het goede.” Dit geeft aan dat als de eed is afgelegd, deze bindend is voor degenen die hem hebben afgelegd, wat betekent dat zij niet het recht hebben om de kalief te verwijderen, aangezien zij niet het recht hebben om hun eed van trouw aan hem te annuleren. Men kan niet beargumenteren dat de Bedoeïen de islam wilden verlaten en niet slechts de gehoorzaamheid aan de heerser door zijn annulering van de eed van trouw. Dit kan niet worden gerechtvaardigd, want als hij dat had gedaan, dan zou zijn handeling er een van afvalligheid zijn geweest en de Boodschapper ﷺ hem hebben gedood, omdat de afvallige wordt gedood. Bovendien is de eed geen eed op de islam, maar eerder een eed op gehoorzaamheid. Dienovereenkomstig wilde hij zichzelf onttrekken aan de gehoorzaamheid en niet aan de islam. Gevolglik is het niet juist voor de moslims om zich af te keren van hun eed, en dus bezitten zij niet het recht om de kalief te verwijderen.
“Madina is like the blacksmith's furnace. It removes the impurities and purifies the good.” which indicates that if the pledge is given it is binding upon those who gave it and which means they do not have the right to remove the Khalifah since they do not have the right to cancel their pledge of allegiance to him. It cannot be argued that the Bedouin wanted to leave Islam and not just the obedience to the ruler through his cancellation of the pledge of allegiance. This cannot be justified since if he did that then his action would have been one of apostasy and the Messenger (pbuh) would have killed him, because the apostate is killed. Also, the pledge is not a pledge upon Islam but rather a pledge upon obedience. Accordingly he wanted to remove himself from the obedience and not from Islam. Consequently, it is not correct for the Muslims to turn away from their pledge and so they do not possess the right to remove the Khalifah.
De sharia verduidelijkt echter op welk punt de kalief zichzelf terugtrekt zonder dat hij hoeft te worden afgezet, en wanneer hij het verdient om te worden afgezet, en geen van deze zaken betekent dat de moslimgemeenschap (Ummah) het recht heeft om hem te verwijderen. In plaats daarvan houden zij hem verantwoordelijk met het krachtige woord van de waarheid tegen onderdrukking en vechten zij tegen hem als hij duidelijke ongeloof verkondigt. De macht om hem te verwijderen wanneer hij het verdient, berust bij de Madhalim-rechtbank.
However, the Shari’ah clarifies at what point the Khalifah removes oneself without a need to be removed, and when he deserves to be removed, and none of these mean that the Ummah has the right to remove him. Rather they account him with the powerful word of truth against oppression and fight against him if he announces clear disbelief. The power to remove him when he deserves it is held by the Madhalim court.