I'jaaz (onovergelijkbaarheid van) Al-Qur’aan:
I’jaaz (inimitability of) Al-Qur’aan:
Allah Ta’Aalaa stuurde Muhammad (peace be upon him) naar een volk dat welbespraakt was en een zuivere tong had (dat wil zeggen in taal). Zij hadden seizoensmarkten en jaarmarkten waarin zij met elkaar wedijverden op het gebied van de zuiverheid, schoonheid en welsprekendheid van hun poëzie. De winnende poëzie werd vervolgens in goud geschreven en opgehangen aan de muren van de Kaaba, wat hun meest heilige en sacrale plaats was. Het nieuws zou zich vervolgens verspreiden en de stammen zouden hierdoor trots en eer verkrijgen. Binnen deze realiteit voorzag Allah Ta’Aalaa Muhammad (peace be upon him) van een wonder dat van dezelfde soort was of binnen dezelfde categorie viel waarin zij trots en eer vonden. Het was de Arabische spraak, gebruikmakend van dezelfde letters en uitdrukkingen waarmee zij hun poëzie formuleerden, en het was de Kalaam van Allah die wonderbaarlijk en onnavolgbaar (onmogelijk voor mensen om te repliceren) was.
Allah Ta’Aalaa sent Muhammad (saw) amongst a people who were eloquent and pure of tongue (i.e. in language). They had seasonal markets and fairs in which they would compete in respect to the purity, beauty and eloquence of their poetry. The winning poetry would then be written in gold and hung upon the walls of the Ka’bah which was their most sanctified and sacred place. The news would then spread and the tribes would gain pride and honour through this. Within this reality Allah Ta’Aalaa provided Muhammad (saw) with a miracle which was of the same kind or within the same category that they found pride and honour in. It was Arabic speech utilising the same letters and expressions that they would formulate their poetry from and it was the Kalaam (speech) of Allah that was miraculous and inimitable (impossible for humans to replicate).
Allah daagde de Arabieren uit met de Qur’aan door hen uit te dagen iets soortgelijks en gelijkaardigs te brengen, en zelfs om slechts één soera te brengen die er gelijkaardig aan was. Allah Ta’Aalaa zei:
Allah challenged the Arabs with the Qur’aan by challenging them to bring something similar and like it and indeed even to just bring one Soorah that was similar to it. Allah Ta’Aalaa said:
Of zeggen zij [over de Profeet]: “Hij heeft het verzonnen?” Zeg: "Breng dan een soera zoals deze voort en roep [om hulp] wie je maar kunt naast Allah, als jullie de waarheid spreken” (Younus 38).
Or do they say [about the Prophet]: “He invented it?” Say: "Then bring forth a Surah like it and call upon [for assistance] whomever you can besides Allah, if you should be truthful” (Younus 38).
En Hij Ta’Aalaa zei:
And He Ta’Aalaa said:
Zeg: "Als de mensheid en de djinn zouden samenkomen om het gelijke van deze Qur'an te produceren, zouden zij het gelijke ervan niet kunnen produceren, zelfs niet als zij elkaar zouden bijstaan" (Al-Israa’ 88).
Say: "If mankind and the jinn gathered in order to produce the like of this Qur'an, they could not produce the like of it, even if they were assistants to one another" (Al-Israa’ 88).