De oorsprong van de islamitische jurisprudentie (Fiqh) en hoe deze ontstond
The origins of Fiqh and how it arose
De islamitische jurisprudentie (Fiqh) ontstond met de neerkomst van de openbaring (Wahy) (goddelijke inspiratie), aangezien de openbaring (Wahy) (via Jibreel (as)) neerdaalde op de Boodschapper van Allah Muhammad ﷺ en de gedachten en Ahkaam van de Islam aan hem overbracht in de vorm van de Qur’aan of de overlevering (Hadith). Vervolgens zou de Boodschapper ﷺ dit overbrengen aan de mensen om hem heen, en de moslims zouden zich houden aan en zich toewijden aan wat deze openbaring (Wahy) met zich meebracht, met betrekking tot Aqaa’id (overtuigingen) en Ahkaam (rechtsregels). Dit komt doordat de Qur’aan Al-Kareem en de profetische overlevering (Hadith) werden geopenbaard in de taal waarin de Arabieren uitblonken en die zij begrepen. In het bijzonder hadden zij een duidelijk begrip van de betekenissen en gedachten waar de Alfaazh (woordelijke uitdrukking) van deze twee naar wees, aangaf en tot uitdrukking bracht. De Alfaazh (woorderingen) van sommige van deze vers (Ayah) en overleveringen (Hadith) duiden op één enkele betekenis en worden zonder moeilijkheden begrepen, zoals het vers (Ayah)
Fiqh arose with the descent of the Wahi (divinely revealed inspiration) as the Wahi (through Jibreel (as)) used to descend upon the Messenger of Allah Muhammad (saw) conveying to him the thoughts and Ahkaam of Islaam in the form of the Qur’aan or the Hadeeth. Then the Messenger (saw) would convey that to the people around him and the Muslims would adhere and commit themselves to what this Wahi came with, in respect to Aqaa’id (beliefs) and Ahkaam (rulings). This is because the Qur’aan Al-Kareem and the Prophetic Hadeeth were revealed in the language that the Arabs had excelled in and understood. In particular they had a clear understanding of the meanings and thoughts that the Alfaazh (worded expression) of these two guided to, indicated and expressed. The Alfaazh (wordings) of some of these Aayaat and Ahaadeeth indicate one single meaning and are understood without difficulty like the Aayah
En kom niet nabij de ontucht. Het is werkelijk een zedeloosheid en een slecht pad (Al-Israa’ 32).
And do not approach unlawful sexual intercourse. Indeed, it is ever an immorality and is evil as a way (Al-Israa’ 32).
Dus dit vers (Ayah) is een Daleel Juz’iy (gedeeltelijk bewijs) dat leidt naar de Hukm van de Tahreem (verbod) van Zinaa, terwijl de Hukm wordt begrepen uit de Alfaazh (woorderingen) van het vers (Ayah) zonder dat er mentale inspanning wordt geleverd.
So this Aayah is a Daleel Juz’iy (partial evidence) that guides to the Hukm of the Tahreem (prohibition) of Zinaa whilst the Hukm is understood from the Alfaazh (wordings) of the Aayah without exerting mental effort.
Er zijn ook verzen (Ayah) en overleveringen (Hadith) waarin hun Alfaazh (woordelijke uitdrukkingen) meer dan één betekenis kunnen hebben en de metgezellen (Sahabah) (rah) zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) zouden verrichten met betrekking tot het begrijpen ervan. Gevolglik zou een van hen een betekenis begrijpen die verschilt van de betekenis die een ander had begrepen, en ieder zou werken of handelen in overeenstemming met wat zij hadden begrepen, terwijl de Boodschapper van Allah ﷺ goedkeuring gaf aan het feit dat zij dit deden. Er werd overgeleverd dat toen de Profeet (Nabi) ﷺ terugkeerde van de Ghazwah (slag) van Al-Ahzaab, hij tegen de moslims zei: “Niemand van jullie mag ‘Asr bidden totdat hij in Bani Quraizhah is”. En zo kwam de tijd voor ‘Asr terwijl zij onderweg waren, en sommigen van hen zeiden: “Wij zullen ‘Asr niet bidden totdat we Bani Quraizhah bereiken, zoals de Boodschapper van Allah ﷺ zei”, terwijl anderen zeiden: “Liever bidden we ‘Asr nu, omdat de Boodschapper ﷺ alleen bedoelde dat we ons moesten haasten”. Toen dit de Boodschapper ﷺ bereikte, keurde hij beide groepen goed, elk naar hun eigen begrip.
There are also Aayaat and Ahaadeeth in which their Alfaazh (worded expressions) can hold more than one meaning and the Sahaabah (rah) would make Ijtihaad in respect to understanding them. Consequently, one of them would understand a meaning different from the meaning that another had understood and each would work or act in accordance to what they had understood, that is whilst the Messenger of Allah (saw) approved of them doing this. It was related that when the Nabi (saw) returned from the Ghazwah (battle) of Al-Ahzaab he said to the Muslims: “None of you shall pray ‘Asr until he is in Bani Quraizhah”. And so the time for ‘Asr came whilst they were on route and so some of them said: “We will not pray ‘Asr until we reach Bani Quraizhah as the Messenger of Allah (saw) said” whilst others said: “Rather we should pray ‘Asr now because the Messenger (saw) was only intending that we rush”. Then when this reached the Messenger (saw) he approved of both groups, each of them according to their understanding.
Gevolglik verwijst islamitische jurisprudentie (Fiqh) naar en heeft het betrekking op het begrijpen van het vers (Ayah) en de overlevering (Hadith) en het afleiden van de rechtsregel (Hukm) Ash-Shar’iy daaruit.
Consequently, Fiqh refers and relates to understanding the Aayah and the Hadeeth and taking the Hukm Ash-Shar’iy from them.