Vervolgens worden we geconfronteerd met een scène van de Dag der Opstanding, beginnend met een teken dat de nadering ervan aankondigt. Dit teken is het openen van de poorten voor Gog en Magog:
We are then presented with a scene of the Day of Resurrection, starting with a sign that signals its approach. This sign is the opening of the gates for Gog and Magog:
Wanneer Yajuj en Majuj worden losgelaten en vanuit elke hoek naar beneden stroomen, wanneer de ware belofte nadert, zullen de ogen van de ongelovigen vol verschrikking staren, [en zullen zij uitroepen:] ‘O, wee ons! Hier waren wij inderdaad onachtzaam voor.’
When Gog and Magog are let loose and swarm down from every corner, when the true promise draws close [to its fulfilment], staring in horror shall be the eyes of the unbelievers, [and they will exclaim:] ‘Oh, woe to us! Of this we were indeed heedless.
‘Wij hebben zekerlijk onrecht gedaan.’ (Versen 96-97)
We have assuredly done wrong.’ (Verses 96-97)
Toen we het verslag bespraken dat in soera 18, Al-Kahf, wordt gegeven over Dhu’l-Qarnayn en de verwijzing naar Gog en Magog, zeiden we dat de ware belofte van het hiernamaals wellicht al dicht bij zijn vervulling was gekomen toen de Tartaren naar het oosten trokken om staten en rijken te vernietigen. Inderdaad, op de tijd van de Profeet ﷺ zelf stelt de Qur'ān duidelijk: “Het Laatste Uur is dichtbij gekomen.” (54: 1) Desondanks specificeert het naderbij komen ervan geen bepaalde tijd waarop het daadwerkelijk zal plaatsvinden. Voor God is tijd totaal anders dan onze eigen berekening van dagen, maanden en jaren.
When we discussed the account given in Sūrah 18, The Cave, of Dhu’l-Qarnayn and its reference to Gog and Magog, we said that the true promise of the hereafter may have already drawn close to its fulfilment when the Tartars swarmed eastwards to destroy states and empires. Indeed at the time of the Prophet himself, the Qur’ān states clearly: “The Last Hour has drawn close.” (54: 1) Nevertheless, its drawing close does not specify a particular time when it will actually take place. To God, time is totally different from our own calculation of days, months and years.
Wat hier bedoeld wordt, is om te beschrijven wat er gebeurt op die dag wanneer deze daadwerkelijk aanbreekt, en om deze in te leiden met een miniatuurscène van wat mensen vertrouwd is. Dit is de scène waarin Gog en Magog worden losgelaten, en hun toestroom vanuit elke hoek in een snel bewegend beeld. De Qur’ān gebruikt vaak begrippen die de mens vertrouwd zijn en verheft deze om scènes van het hiernamaals te schetsen.
What is intended here is to describe what happens on that day when it actually arrives, and to introduce it with a miniature scene of what is familiar to human beings. This is the scene of Gog and Magog being let loose, and their swarming down from every corner in a fast moving image. The Qur’ān often uses notions that are familiar to man and elevates these to draw scenes of the hereafter.
De scène die hier wordt uitgebeeld, benadrukt het element van verrassing dat de toeschouwers treft:
The scene portrayed here stresses the element of surprise that takes the onlookers:
Zo zal het zijn: “de ogen van de ongelovigen zullen vol ontzetting staren.” (Vers 97) Zij zullen niet kunnen knipperen vanwege de grote verschrikking die hen onverwacht heeft getroffen. De tekst maakt hier gebruik van inversie om de eigenlijke beweging naar voren te brengen om zo extra nadruk te leggen.
Thus, “staring in horror shall be the eyes of the unbelievers.” (Verse 97) They shall not wink because of the great horror that has taken them by surprise. The text uses inversion here to bring forward the actual stirring in order to provide added emphasis.
De soera gaat niet verder in het beschrijven van hun toestand. In plaats daarvan laat het hen spreken om meer leven aan de scène te geven: “O, wee ons! Hier waren wij inderdaad onachtzaam in.”
The sūrah does not go on to describe their condition further. Instead, it shows them speaking to give more life to the scene: “Oh, woe to us! Of this we were indeed heedless.
“Wij hebben zekerlijk onrecht gedaan.” (Vers 97) Dit is de kreet van iemand in uiterste nood. Hij is volkomen verloren, zijn ogen bewegen onrustig en hij roept een vloek over zichzelf af, waarbij hij zijn eerdere fouten erkent en berouw toont wanneer berouw niet langer van enig nut is.
We have assuredly done wrong.” (Verse 97) This is the cry of one in utter distress. He is at a total loss, his eyes are stirring and he invokes a curse upon himself, acknowledging his past errors, and repents when repentance is no longer of any use.
Wanneer deze bekentenis in dergelijke schok wordt afgelegd, wordt het definitieve oordeel aangekondigd. Het kan niet worden gewijzigd: “Jullie en alles wat jullie in plaats van God aanbaden, zijn niets anders dan de brandstof van de hel; dat is waarvoor jullie bestemd zijn.” (Vers 98)
When this confession is made in such shock, the final verdict is announced. It cannot be changed: “You and all that you were wont to worship instead of God are but the fuel of hell: that is what you are destined for.” (Verse 98)
De stijl die hier wordt gehanteerd, laat hen afbeelden alsof zij nu de ultieme verantwoording moeten afleggen, waarbij zij samen met de afgoden die zij aanbaden naar de hel worden geleid. Zij worden er praktisch genadeloos in geworpen, alsof zij kleine kiezelstenen zijn waarmee de hel wordt bestookt. Op dit moment wordt hen de onwaarheid van hun beweringen getoond dat dit godheden waren. Het bewijs is te zien in diezelfde scène: “Als die [objecten van jullie aanbidding] werkelijk goddelijk waren geweest, dan zouden zij daar niet voor bestemd zijn geweest.” (Vers 99) Dit is een logisch bewijs afgeleid van een scène die hen, terwijl zij nog in dit leven zijn, iets laat zien dat zich in het hiernamaals afspeelt. De soera gaat vervolgens verder met het tonen van hen daadwerkelijk in de hel, waarbij hun verblijfplaats en hun omstandigheden daarin worden beschreven. Zij verkeren in een staat die hen hun waarnemingsvermogen ontneemt: “Maar daar zullen zij verblijven. Daar zullen zij kreunen van pijn, en zij zullen geen gehoor hebben.” (Vers 99-100)
The style employed here shows them as if they are now facing the ultimate reckoning, being taken to hell together with their worshipped idols. They are practically thrown in it mercilessly, as though they are small pebbles and hell is being stoned with them. At this moment, they are shown the falsity of their claims that these were deities. The proof is seen in that very scene: “If those [objects of your worship] had truly been divine, they would not have been destined for it.” (Verse 99) This is logical proof taken from a scene showing them, while they are still in this life, something that takes place in the hereafter. The sūrah then goes on to show them actually in hell, describing their abode and conditions in it. They are in a state that deprives them of their receptive faculties: “But there all shall abide. There they will be groaning with anguish, and bereft of hearing.” (Verses 99-100)
Gelovigen daarentegen worden al deze ontberingen bespaard, omdat aan hen een goed leven in het hiernamaals is beloofd: “Maar degenen voor wie [het besluit van] het ultieme goed reeds van Ons is uitgegaan, zullen ver van die hel worden gehouden, waarbij zij geen sissend geluid ervan zullen horen. Zij zullen verblijven in datgene wat hun zielen ooit hebben begeerd.” (Versen 101-102)
Believers, on the other hand, are spared all this hardship, because they have been promised a goodly life in the hereafter: “But those for whom [the decree of] ultimate good has already gone forth from Us will be kept far away from that hell, hearing none of its hissing sound. They will abide in all that their souls have ever desired.” (Verses 101-102)
De frase ‘het sissende geluid’, of het eenlettergrepige equivalent in het Arabisch dat hier wordt gebruikt, *hasīsahā*, behoort tot een aantal Qur’ānicische termen waarvan de klanken betekenis overbrengen. Het beschrijft het geluid van het vuur terwijl het woedt en brandt. Het is een uiterst angstaanjagend geluid. Daarom worden degenen aan wie de belofte van een goede bestemming is gegeven, gespaard voor dat geluid, laat staan dat zij het moeten ondergaan. Zij worden gered van de terreur die de ongelovigen in een staat van totaal verlies achterlaat. In plaats daarvan genieten zij waar zij ook maar naar verlangen, in volledige veiligheid en gelukzaligheid.
The phrase, ‘its hissing sound’, or its one word equivalent in Arabic used here, hasīsahā, belongs to a number of Qur’ānic terms with sounds that impart meaning. It describes the sound of the fire as it rages and burns. It is an extremely frightening sound. Hence, those given the promise of a good destiny are spared that sound, let alone suffering it. They are saved from the terror that leaves the unbelievers in a state of utter loss. Instead they enjoy whatever they desire, in complete security and bliss.
Zij worden hartelijk ontvangen door de engelen, die hen troostrijke gezelschap bieden, terwijl de algemene sfeer er een is van verschrikking: “De Grote Terreur zal hen geen verdriet berokkenen, aangezien de engelen hen zullen ontvangen met de groet: ‘Dit is de dag waartoe jullie zijn beloofd.’” (Vers 103)
They are warmly received by the angels, who give them comforting company, when the general atmosphere is one of horror: “The Supreme Terror will cause them no grief since the angels will receive them with the greeting, ‘This is your day which you were promised.’” (Verse 103)
De scène nadert nu zijn einde en toont de uiteindelijke staat van het universum, wat bijdraagt aan de grote angst die iedereen op die dag zal overweldigen: “Op die dag zullen Wij de hemelen oprollen als een perkamenten rol.” (Vers 104) Zo worden de hemelen opgevouwen aangezien alle zaken zijn beslecht, de afrekening voorbij is en het aan de mens bekende universum geen verdere functie meer heeft om uit te voeren. Een nieuwe wereld wordt geboren in een nieuw universum: “Zoals Wij de eerste schepping tot stand hebben gebracht, zo zullen Wij haar opnieuw tot leven wekken. Dat is een belofte die Wij onszelf hebben opgelegd. Wij zijn inderdaad in staat tot alle dingen.” (Vers 104)
The scene is now drawn to its close, showing the ultimate state of the universe, which contributes to the great terror that overwhelms all on that day: “On that day We shall roll up the heavens like a scroll of parchment.” (Verse 104) Thus, the heavens are folded up since all matters have been settled, the reckoning is over, and the universe known to man has no further function to perform. A new world is born in a new universe: “As We brought into being the first creation, so We shall bring it forth anew. That is a promise We willed upon Ourselves. We are indeed able to do all things.” (Verse 104)