Al-Baqarah (Joodse pogingen om de Islam te ondermijnen) 104-123
Al-baqarah ( Jewish Efforts To Undermine Islam) 104- 123
Gelovigen, zeg niet [tegen de Profeet]:
Believers, do not say [to the Prophet]:
“Luister naar ons,” maar zeg: “Heb geduld met ons,” en luister. Ernstig lijden wacht de ongelovigen. (104)
“Listen to us,’ but say: “Have patience with us,’ and hearken. Grievous suffering awaits the unbelievers. (104)
Zowel de ongelovigen onder de mensen van eerdere openbaringen als de afgodendienaars zouden niet willen dat uw Heer ooit een zegen over u uitstort. Maar God begenst met Zijn barmhartigheid wie Hij wil; Zijn genade is oneindig. (105)
Neither the unbelievers among the people of earlier revelations nor the idolaters would like to see any blessing ever bestowed upon you by your Lord. But God favours with His mercy whom He wills; His grace is infinite. (105)
Elke openbaring die Wij vernietigen of doen vergeten, vervangen Wij met een betere of een gelijke. Weet je niet dat Allah almachtig is over alle dingen? (106)
Any revelation We annul or consign to oblivion We replace with a better or similar one. Do you not know that God has power over all things? (106)
Weet je niet dat God de soevereiniteit over de hemelen en de aarde heeft, en dat je buiten God om niemand hebt die je kan beschermen of je kan helpen? (107)
Do you not know that God has sovereignty over the heavens and the earth, and that apart from God you have no one to protect you or give you help? (107)
Wilt u de Boodschapper die naar u is gestuurd hetzelfde vragen als voorheen aan Mozes werd gevraagd? Degene die het geloof verruilt voor ongeloof, is zeker van het rechte pad afgedwaald. (108)
Do you wish to ask of the Messenger who has been sent to you the same as was formerly asked of Moses? He who barters faith for unbelief has surely strayed away from the right path. (108)
Velen onder de mensen van eerdere openbaringen zouden je graag terug willen leiden naar ongeloof, nu je het geloof hebt aanvaard. Dit doen zij uit diepgewortelde afgunst, nadat de waarheid aan hen duidelijk is geworden; dus vergeef en gedraag je geduldig totdat God Zijn besluit bekendmaakt. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen. (109)
Many among the people of earlier revelations would love to lead you back to unbelief, now that you have embraced the faith. This they do out of deep-seated envy, after the truth has become manifest to them; so forgive and forbear until God makes known His decree. Indeed, God has power over all things. (109)
Houd nauwgezet je gebed in acht en betaal armenbelasting (Zakah); want welk goed je ook doet voor je eigen zelf, je zult het bij God vinden. God ziet alles wat je doet. (110)
Attend regularly to your prayer and pay zakāt (financial duty); for, whatever good you do for your own sake you shall find it with God. God sees all that you do. (110)
Zij verklaren: ‘Niemand zal het Paradijs betreden, tenzij hij een Jood of een christen is.’ Dat zijn hun wensdenken. Zeg: ‘Kom met jullie bewijs, als jullie gelijk hebben.’ (111)
They declare, ‘None shall enter Paradise unless he is a Jew or a Christian.’ Such are their wishful fancies. Say, ‘Produce your proof, if what you say is true.’ (111)
Voorwaar, wie zich overgeeft aan God, terwijl hij goede werken verricht, zal zijn beloning bij zijn Heer hebben; zij zullen niets te vrezen hebben en zij zullen niet treuren.
Indeed, whoever surrender themselves to God, while doing good works, shall have their reward with their Lord; they shall have nothing to fear nor shall they grieve.
(112)
(112)
De Joden zeggen dat de christenen geen basis hebben voor hun geloof en de christenen zeggen dat de Joden geen basis hebben voor hun geloof. Toch reciteren zij beiden de Schrift. Degenen die verstoken zijn van kennis zeggen eveneens zo, en op de Dag des Oordeels zal God tussen hen oordelen over al hun geschillen. (113)
The Jews say the Christians have no basis for their faith and the Christians say the Jews have no basis for their faith. Yet they both recite the Scriptures. Those devoid of knowledge say likewise, and on the Day of Judgement God shall judge between them on all their disputes. (113)
Wie is onrechtvaardiger dan degene die het verbiedt dat de naam van God wordt genoemd in Zijn gebedshuizen, en probeert deze te vernietigen?
Who is more unjust than he who forbids God’s name to be mentioned in His places of worship, and seeks to destroy them?
Dergelijke mensen hebben geen recht om hen binnen te treden, behalve met angst in hun harten. Zij zullen schande lijden in deze wereld en een verschrikkelijk lijden wacht hen in het hiernamaals.
Such people have no right to enter them except with fear in their hearts. They shall suffer ignominy in this world and awesome suffering awaits them in the life to come.
(114)
(114)
Aan Allah behoren het oosten en het westen:
To God belong the east and the west:
Waar u zich ook wendt, daar is het aangezicht van God. Waarlijk, God is grenzeloos in Zijn gunst en Hij weet alles. (115)
wherever you turn there will be the face of God. Truly, God is limitless in His bounty and He knows all. (115)
Zij zeggen: ‘God heeft voor Zichzelf een zoon genomen.’ Grenzeloos is Hij in Zijn glorie! Zijn is alles wat in de hemelen en op de aarde is; alle dingen zijn gehoorzaam aan Hem. (116)
They say, ‘God has taken to Himself a son.’ Limitless is He in His glory! His is all that is in the heavens and on earth; all things are obedient to Him. (116)
Hij is de Schepper van de hemelen en de aarde. Wanneer Hij iets wil laten bestaan, hoeft Hij slechts te zeggen: ‘Wees’, en het is. (117)
He is the Originator of the heavens and the earth. When He wills something to be, He need only say, ‘Be’, and it is. (117)
Degenen die geen kennis bezitten, zeggen: ‘Waarom spreekt God niet tot ons, en waarom wordt ons geen teken getoond?’ Dezelfde eisen werden door mensen vóór hen gesteld: hun harten zijn allemaal gelijk. Wij hebben de tekenen zeer duidelijk gemaakt voor degenen met een vaste overtuiging. (118)
Those devoid of knowledge say, ‘Why does not God speak to us, nor is a sign shown to us?’ The same demands were made by people before them: their hearts are all alike. We have made the signs very clear for those with firm conviction. (118)
Wij hebben u met de waarheid gezonden; als een brenger van goede boodschappen en een waarschuwer. U zult niet bevraagd worden over hen die voorbestemd zijn voor het brandende vuur. (119)
We have sent you with the truth; a hearer of glad tidings and a warner. You shall not be questioned about those who are destined for the blazing fire. (119)
Zowel de Joden als de Christenen zullen nooit tevreden met je zijn, tenzij je hun geloof volgt. Zeg: ‘De leiding van Allah is de enige ware leiding.’ Als je hun verlangens zou volgen na alle kennis die tot jou is gekomen, dan zou niemand je van Allah kunnen beschermen, noch je hulp kunnen bieden. (120)
Never will the Jews nor yet the Christians be pleased with you unless you follow their faith. Say, ‘God’s guidance is the only true guidance.’ Should you follow their desires after all the knowledge that has come to you, you would have none to protect you from God, nor to give you help. (120)
Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, en die het reciteren zoals het behoort te worden gereciteerd, geloven er werkelijk in; degenen die het ontkennen, zijn de grootste verliezers. (121)
Those to whom We have given the Book, and who recite it as it ought to be recited, truly believe in it; those who deny it are utter losers. (121)
O Israëlieten! Denk aan Mijn gunst die Ik aan jullie heb geschonken, en dat Ik jullie heb verheven boven alle volkeren. (122)
Children of Israel! Remember My favour which I bestowed on you, and that I have preferred you over all people. (122)
Vrees de dag waarop geen ziel de andere op enige wijze zal kunnen helpen, noch er een losgeld van hen zal worden aanvaard, noch tussenkomst van enig nut zal zijn, en niemand hulp zal ontvangen. (123)
Fear the day when no soul shall avail another in any way, nor shall ransom be accepted from any of them, nor shall intercession be of any benefit, and none shall receive help. (123)
Pogingen om de nieuwe religie te ondermijnen
Efforts To Undermine The New Religion
Dit nieuwe passage gaat een stap verder in de uiteenzetting van de Joodse intriges tegen de Islam en de moslims, door de redenen te onthullen die ten grondslag liggen aan hun diepgewortelde haat en hun verraad en het veroorzaken van onrust. Het geeft moslims sterke waarschuwingen, die hen oproepen om waakzaam te zijn in de omgang met de vijandige en kwaadwillige plannen van de Joden. Moslims wordt er expliciet gezegd dat zij het gedrag van de Joden niet moeten nabootsen, of moeten bezwijken voor hun listigheid en bedrog.
This new passage takes the exposition of Jewish intrigue against Islam and the Muslims a step further, revealing the reasons that lie behind their deep-seated hatred and their treachery and troublemaking. It gives Muslims strong warnings, requiring them to be on their guard in dealing with the hostile and malicious scheming of the Jews. Muslims are pointedly told not to emulate the behaviour of the Jews, or to fall for their trickery and deceit.
Het lijkt erop dat de Joden een probleem maakten van de wijzigingen en aanpassingen die tijdens de vormende jaren van de islam aan sommige islamitische regels en vereisten moesten worden aangebracht. Zij maakten hiervan gebruik om twijfel te zaaien in de geesten van moslims, waarbij zij de geldigheid en de waarachtigheid van hun religie in twijfel trokken. Als die regels en ideeën van God waren afkomstig, voerden de Joden aan, dan hadden ze niet gewijzigd of vervangen hoeven te worden.
It appears that the Jews were making an issue of the modifications and amendments that had to be made to some Islamic rules and requirements during the formative years of Islam. They utilized this to raise doubts in Muslim minds, questioning the validity and veracity of their religion. Had those rules and ideas originated from God, the Jews argued, they would not have had to be changed or replaced.
Deze verraderlijke campagne won aan kracht toen de gebedsrichting (Qiblah) van de moslims werd veranderd van Jeruzalem naar de Kaaba in Mekka, zestien maanden na de aankomst van de Profeet in Medina in 622 n.Chr.
This insidious campaign gathered strength when the direction faced by Muslims in prayer, the qiblah, was changed from Jerusalem to the Ka`bah in Makkah, sixteen months after the Prophet’s arrival in Madinah in 622 CE.
Bij zijn aankomst in Madinah instrueerde de Profeet zijn volgelingen om zich in het gebed tot Jeruzalem te wenden, de heilige stad van het jodendom, wat de Joden een reden gaf om te beweren dat hun geloof superieur was, de enige ware religie. Dit deed de Profeet wensen, hoewel hij zijn gevoelens nooit in woorden uitdrukte, dat gebeden gericht konden worden tot de Kaaba in Mekka. Naarmate de tijd verstreek, werd dit gevoel zelfs sterker totdat zijn onuitgesproken wens werd vervuld, zoals we later in de soera zullen zien.
Het misgunnen van de genade van Allah
Begrudging God’s Grace
“O gelovigen, zeg niet [tegen de Profeet]: ‘Luister naar ons,’ maar zeg: ‘Wees geduldig met ons,’ en luister. Een zware straf wacht de ongelovigen. Noch de ongelovigen onder de mensen van eerdere openbaringen, noch de afgodendienaars zouden graag willen zien dat uw Heer u ooit een zegen schenkt. Maar God begunstigt met Zijn barmhartigheid wie Hij wil; Zijn genade is oneindig. Elke openbaring die Wij tenietdoen of doen vergeten, vervangen Wij met een betere of een gelijke. Weet u niet dat God macht heeft over alle dingen? Weet u niet dat God de soevereiniteit heeft over de hemelen en de aarde, en dat u buiten God om niemand heeft die u kan beschermen of u kan helpen? Wilt u de Boodschapper die naar u is gestuurd hetzelfde vragen als voorheen aan Mozes werd gevraagd? Degene die het geloof inruilt voor ongeloof, is zeker afgedwaald van het rechte pad. Velen onder de mensen van eerdere openbaringen zouden u graag terug willen leiden naar ongeloof nu u het geloof hebt aanvaard. Dit doen zij uit diepgewortelde afgunst, nadat de waarheid aan hen duidelijk is geworden; dus vergeef en gedraag u geduldig totdat God Zijn besluit bekendmaakt. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen. Houd uw gebed nauwgezet in acht en betaal armenbelasting (Zakah); want welk goed u ook doet voor uw eigen sake, u zult het bij God vinden. God ziet alles wat u doet. (Verzen 104-110)
“Believers, do not say [to the Prophet]: “Listen to us,’ but say: “Have patience with us,’ and hearken. Grievous suffering awaits the unbelievers. Neither the unbelievers among the people of earlier revelations nor the idolaters would like to see any blessing ever bestowed upon you by your Lord. But God favours with His mercy whom He wills; His grace is infinite. Any revelation We annul or consign to oblivion We replace with a better or similar one. Do you not know that God has power over all things? Do you not know that God has sovereignty over the heavens and the earth, and that apart from God you have no one to protect you or give you help? Do you wish to ask of the Messenger who has been sent to you the same as was formerly asked of Moses? He who barters faith for unbelief has surely strayed away from the right path. Many among the people of earlier revelations would love to lead you back to unbelief now that you have embraced the faith. This they do out of deep-seated envy, after the truth has become manifest to them; so forgive and forbear until God makes known His decree. Indeed, God has power over all things. Attend regularly to your prayer and pay zakāt (financial duty); for, whatever good you do for your own sake you shall find it with God. God sees all that you do. (Verses 104-110)
De openingsvers van dit gedeelte richt zich tot de gelovigen en vraagt hen om de Joden niet na te bootsen in hun spel met bepaalde Arabische woorden wanneer zij tot de Profeet spreken. Een van die woorden is *rā`inā*, wat "luister naar ons" betekent, maar waarvan de klank subtiel kon worden veranderd om de beledigende betekenis van 'een impulsieve dwaas' over te brengen. Zij grepen naar deze laffe vorm van belediging omdat zij het niet durfden om de Profeet openlijk te beledigen. De moslims werd geadviseerd om synoniemen te gebruiken die niet verdraaid konden worden om een beledigende betekenis te geven in hun aanspreking tot de Profeet.
Beweringen zonder grondslag
Claims Without Basis
De soera behandelt vervolgens enkele algemene beweringen die door Joden en christenen worden gedaan, met de teneur dat zij de enige rechtvaardige mensen zijn die verzekerd zijn van toelating tot het paradijs in het hiernamaals. Tegelijkertijd blijven zij elkaar veroordelen en beschuldigen. Vervolgens geeft het het definitieve woord van God over deze zaak. “Zij verklaren: ‘Niemand zal het Paradijs betreden, tenzij hij een Jood of een christen is.’ Dat zijn hun wensdenken. Zeg: ‘Lever jullie bewijs aan, als wat jullie zeggen waar is.’ Voorwaar, wie zich aan God overgeeft en goede werken verricht, zal zijn beloning bij zijn Heer hebben; zij zullen niets vrezen en zij zullen niet treuren. De Joden zeggen dat de christenen geen basis hebben voor hun geloof en de christenen zeggen dat de Joden geen basis hebben voor hun geloof. Toch reciteren zij beiden de Schrift. Degenen die geen kennis hebben, zeggen eveneens zo, en op de Dag des Oordeels zal God tussen hen oordelen over al hun geschillen.” (Versen 111-113)
The sūrah then deals with some general claims made by Jews and Christians, to the effect that they are the only righteous people who are assured of being admitted to heaven in the life to come. At the same time they continue to denounce and throw charges at each other. It then goes on to give God’s final word on the matter. “They declare, ‘None shall enter Paradise unless he is a Jew or a Christian.’ Such are their wishful fancies. Say, ‘Produce your proof, if what you say is true.’ Indeed, whoever surrender themselves to God, while doing good works, shall have their reward with their Lord; they shall have nothing to fear nor shall they grieve. The Jews say the Christians have no basis for their faith and the Christians say the Jews have no basis for their faith. Yet they both recite the Scriptures. Those devoid of knowledge say likewise, and on the Day of Judgement God shall judge between them on all their disputes.” (Verses 111-113)
Hoewel er tijdens de openbaring van de Qur’ān geen sterke christelijke aanwezigheid in Madinah was, vergeleken met die van de Joden, verwijst de tekst naar beide groepen evenals naar de polytheïsten, waarbij hun claims als ongegrond worden verworpen en zij worden uitgedaagd om bewijs te leveren ter ondersteuning van hun argument. “Zij verklaren: Niemand zal het Paradijs betreden, tenzij hij een Jood of een christen is.” Dit is een dubbel verslag van wat beide groepen beargumenteerden.
Although, when the Qur’ān was being revealed, there was no strong Christian presence in Madinah, as compared to that of the Jews, the text refers to both groups as well as to the polytheists, dismissing their claims as baseless and challenging them to provide evidence to support their argument. “They declare: None shall enter Paradise unless he is a Jew or a Christian.” This is a dual report of what both groups argued.
Anders klaagden de Joden dat zij de enigen waren die voor de hemel bestemd waren, en de christenen beweerden hetzelfde voor zichzelf. Beide uitspraken zijn hoogmoedig, zonder ondersteunend bewijs. Daarom instrueert God de Profeet om hun claims uit te dagen:
Ongeloof is één geheel
Unbelief Is All One
De soera bespreekt vervolgens bepaalde verwrongen concepten van de godheid die worden aangehouden door Joden en christenen. Het benadrukt het contrast tussen die concepten en de overtuigingen van de heidense Arabieren, waarbij de opvallende gelijkenissen worden onderstreept, voordat het die foutieve concepten corrigeert en de ware eenheidsleer van de Islam presenteert. “Zij zeggen: ‘God heeft voor Zichzelf een zoon genomen.’ Grenzeloos is Hij in Zijn glorie! Hem toebehoort alles wat in de hemelen en op de aarde is; alle dingen zijn gehoorzaam aan Hem. Hij is de Schepper van de hemelen en de aarde. Wanneer Hij iets wil laten zijn, hoeft Hij slechts te zeggen: Wees, en het is. Degenen die geen kennis hebben, zeggen: ‘Waarom spreekt God niet tot ons, en waarom wordt ons geen teken getoond?’ Dezelfde eisen werden gesteld door mensen vóór hen: hun harten zijn allemaal gelijk. Wij hebben de tekenen zeer duidelijk gemaakt voor degenen met een vaste overtuiging.” (Versen 116-118)
The sūrah then discusses certain distorted concepts of Godhead held by Jews and Christians. It highlights the contrast between those and the beliefs held by the pagan Arabs, emphasizing the striking similarities, before it corrects those erroneous concepts and presents the true unitarian belief of Islam. “They say, ‘God has taken to Himself a son.’ Limitless is He in His glory! His is all that is in the heavens and on earth; all things are obedient to Him. He is the Originator of the heavens and the earth. When He wills something to be, He need only say, Be, and it is. Those devoid of knowledge say, ‘Why does not God speak to us, nor is a sign shown to us?’ The same demands were made by people before them: their hearts are all alike. We have made the signs very clear for those with firm conviction.” (Verses 116-118)
Inderdaad, het volkomen misleidende concept van "God de Vader" was niet beperkt tot de christenen die Jezus beschouwen als de zoon van God; want sommige Joden geloofden ook dat Ezra een zoon van God was, terwijl de Arabische afgodendienaars geloofden dat de engelen de dochters van God waren. De soera veroordeelt deze drie groepen, die destijds in Arabië allemaal fel vijandig tegenover de islam stonden, zonder in te gaan op de details van hun overtuigingen.
Indeed, the totally misguided notion of “God the Father” was not restricted to the Christians who take Jesus to be the son of God; for some Jews also believed that Ezra was a son of God, while the Arab idolaters believed that the angels were God’s daughters. The sūrah condemns these three groups, all fiercely antagonistic towards Islam in Arabia at the time, without going into details of their beliefs.
Het is interessant om hier op te merken dat deze groepen zeer nauw overeenkomen met de drie groepen die vandaag de dag tegenover de Islam staan, vertegenwoordigd door het wereldwijde Zionisme, de kruisvaarderskerken en het internationale communisme, waarbij de laatste zelfs vijandiger tegenover de Islam staat dan de Arabische afgodendienaars ooit waren.
Joodse en christelijke argumenten
Jewish And Christian Arguments
Nadat de valse claims van de Joden, de christenen en de Arabische afgodendienaars zijn weerlegd en de werkelijke motieven die hen dreef om de Islam te bestrijden zijn onthuld, richt de soera zich rechtstreeks tot de Profeet Muhammad om zijn missie te definiëren en zijn verantwoordelijkheden te specificeren. Het legt ook de ware aard bloot van het geschil tussen hem en de Joden en christenen, die een zeer hoge prijs wilden vragen die Muhammad noch bezat, noch kon betalen. “Wij hebben u met de waarheid gezonden; als een brenger van goede boodschappen en een waarschuwer. U zult niet bevraagd worden over degenen die voorbestemd zijn voor het brandende vuur. Noch de Joden, noch de christenen zullen tevreden met u zijn, tenzij u hun geloof volgt. Zeg: ‘De leiding van God is de enige ware leiding.’ Als u hun verlangens zou volgen na alle kennis die u is gekomen, dan zou u niemand hebben die u van God beschermt, noch die u hulp zal bieden. Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, en die het reciteren zoals het betaamt, geloven er werkelijk in; degenen die het ontkennen, zijn de grootste verliezers.” (Versen 119-121)
Having dismissed the false claims of the Jews, the Christians and the Arab idolaters and revealed the real motives driving them to oppose Islam, the sūrah directly addresses the Prophet Muĥammad in order to define his mission and specify his responsibilities. It also exposes the true nature of the dispute between him and the Jews and Christians, who wanted to exact a very high price that Muĥammad neither possessed nor was able to afford. “We have sent you with the truth; a bearer of glad tidings and a warner. You shall not be questioned about those who are destined for the blazing fire. Never will the Jews nor yet the Christians be pleased with you unless you follow their faith. Say, ‘Gods guidance is the only true guidance. ‘Should you follow their desires after all the knowledge that has come to you, you would have none to protect you from God, nor to give you help. Those to whom We have given the Book, and who recite it as it ought to be recited, truly believe in it; those who deny it are utter losers.” (Verses 119-121)
“Wij hebben u met de waarheid gezonden...” Deze openingszin in deze verzen geeft de Profeet een sterke geruststelling die hem zou helpen om eventuele twijfels of angsten met betrekking tot de aard van zijn missie te verdrijven, en om elk complot of elke dreiging om deze te ondermijnen te dwarsbomen. Het wordt zeer scherp en beknopt uitgedrukt, wat het kracht en impact geeft.
“We have sent you with the truth...” This opening statement in these verses gives strong reassurance to the Prophet that would help him to dispel any doubts or fears regarding the nature of his mission, and to foil any schemes or threats to undermine it. It is expressed very sharply and succinctly, giving it force and impact.
“Een brenger van goede boodschappen en een waarschuwer.” De missie van Muhammad was het overbrengen van de boodschap van God, waarbij hij het goede nieuws bracht aan hen die het aanvaarden en waarschuwde hen die het verwerpen. Dit is de volledige som van zijn taak. Hij zou niet bevraagd worden over hen die in de hel zouden eindigen, omdat zij hun lot zouden hebben ondergaan als gevolg van hun eigen daden.