Al-Hijr (Grote Universele Uitgestrektheid) 16-25
Al-Hijr (Great Universal Expanse) 16-25
Wij hebben inderdaad sterrenbeelden in de hemel aangebracht, en hen met schoonheid voorzien om door allen aanschouwd te worden, (16)
We have indeed set up in the heavens constellations, and endowed them with beauty for all to behold, (16)
en Wij hebben hen beschermd tegen elke vervloekte duivel, (17)
and We have guarded them from every cursed devil, (17)
zodat iedereen die probeert af te luisteren, wordt achtervolgd door een vlam die duidelijk zichtbaar is. (18)
so that anyone who tries to eavesdrop is pursued by a flame clear to see. (18)
Wij hebben de aarde uitgespreid, daar stevige bergen op geplaatst, en laten daar van elke soort op een evenwichtige wijze groeien. (19)
We have spread out the earth, and placed on it firm mountains, and caused [life] of every kind to grow on it in a balanced manner. (19)
Wij hebben daar voor jullie diverse middelen van onderhoud geplaatst, evenals voor degenen voor wie jullie niet hoeven te voorzien. (20)
We have placed various means of livelihood on it for you, as well as for those whom you do not have to provide for. (20)
Er is niets behalve dat de voorraad ervan bij Ons is; en Wij laten het slechts neerdalen volgens een vastgestelde maat. (21)
There is not a thing but with Us are its storehouses; and We send it down only in accordance with a defined measure. (21)
Wij sturen zware wolken voorbij, en daarna laten Wij water uit de hemel neerdalen, zodat jullie ervan kunnen drinken. Jullie zijn niet degenen die het opslaan. (22)
We send forth winds heavily loaded, then We send down water from the skies for you to drink. You are not the ones who store it up. (22)
Het is Wij die leven geven en de dood veroorzaken, en het is Wij die de erfgenamen [van alles] zijn. (23)
It is We who give life and cause death, and it is We who are the inheritors [of all things]. (23)
Wij weten wie er voor jou leefde en wie er na jou zullen komen.
Well do We know those who lived before you and those who will come after you.
(24)
(24)
Uw Heer zal hen allen samenbrengen.
Your Lord will gather them all together.
Hij is inderdaad de Alwijze, de Alwetende. (25)
He is indeed Wise, All- Knowing. (25)
Eindeloze Wonderen
Endless Wonders
De soera gaat nu over naar een uiteenzetting van universele tekenen. Het begint met een scène in de hemel, gevolgd door een scène op aarde, en vervolgens een beeld van winden die volgeladen zijn met water, voordat we beelden krijgen van leven en dood, de opstanding en de verzameling. Al deze scènes worden ontkend door hen die, wanneer een poort naar de hemel voor hen wordt geopend en zij er steeds hoger doorheen stijgen, zeker zeggen: “Het zijn slechts onze ogen die betoverd zijn! Waarlijk, wij moeten bezeten zijn.” (Vers 15)
The sūrah now moves on to an exhibition of universal signs. It starts with a scene in heaven followed by one on earth, then an image of winds fully loaded with water, before we have pictures of life and death, resurrection and gathering. All these scenes are denied by those who, when a gateway to heaven is opened for them and they ascend through it higher and higher, surely say: “It is only our eyes that are spellbound! Indeed, we must have been bewitched.” (Verse 15)
“Wij hebben inderdaad sterrenbeelden in de hemel aangebracht en hen met schoonheid voorzien om door allen aanschouwd te worden, en Wij hebben hen beschermd tegen elke vervloekte duivel, zodat eenieder die probeert af te luisteren, wordt achtervolgd door een duidelijk zichtbare vlam.” (Versen 16-18) Dit is de eerste regel in het grote universele tafereel dat spreekt over de scheppende kracht van God. Het levert een meerzeggende getuigenis van de onnavolgbaarheid van de schepping van God dan welk neerdaalend gezelschap van engelen dan ook. Het weerspiegelt de zorgvuldige planning van God en Zijn grenzeloze macht die dit grote stuk van de schepping, het universum, in stand houdt. De ‘sterrenbeelden’ kunnen verwijzen naar de sterren en planeten zelf met hun enorme omvang, of het kan verwijzen naar hun posities die hun banen bepalen. In beide gevallen getuigen zij van de grote macht achter hun schepping en van de nauwkeurigheid en schoonheid die zij weerspiegelen. “Wij hebben inderdaad sterrenbeelden in de hemel aangebracht en hen met schoonheid voorzien om door allen aanschouwd te worden.” (Vers 16)
“We have indeed set up in the heavens constellations, and endowed them with beauty for all to behold, and We have guarded them from every cursed devil, so that anyone who tries to eavesdrop is pursued by a flame clear to see.” (Verses 16-18) This is the first line in the great universal scene which tells of God’s creative power. It delivers a more telling testimony to the inimitability of God’s creation than any coming down of angels. It reflects God’s elaborate planning and His limitless power that puts into place this great piece of creation, the universe. The ‘constellations’ may refer to the stars and planets themselves with their huge entities, or it may refer to their positions which define their orbits. In both cases, they testify to the great power behind their creation and to the accuracy and beauty that they reflect. “We have indeed set up in the heavens constellations, and endowed them with beauty for all to behold.” (Verse 16)
Een duidelijk plan voor de gehele schepping
A Clear Plan For All Creation
In feite worden de voorzieningen die aan elke gemeenschap zijn gegeven, bepaald door God, volgens Zijn wil. Hij verleent ze zoals Hij wil, op het moment dat Hij kiest, en in overeenstemming met de wetten die Hij in werking heeft gesteld: “Er is niets waarvan de voorraadschuren niet bij Ons zijn; en Wij laten het slechts neerdalen volgens een vastgestelde maat.” (Vers 21)
In fact, the provisions given to every community are determined by God, according to His will. He grants them as He pleases, at the time He chooses, and in accordance with the laws He has set in operation: “There is not a thing but with Us are its storehouses; and We send it down only in accordance with a defined measure.” (Verse 21)
Geen enkel schepsel bezit iets, of heeft macht over iets. De middelen van alles zijn bij God in Zijn hoogste rijk. Hij verleent het aan Zijn schepping, in hun respectievelijke werelden, volgens een vastgesteld maatstaf. Niets wordt willekeurig gegeven of voorzien.
No creature owns, or has power over, anything. The resources of everything are with God in His supreme realm. He grants it to His creation, in their respective worlds, according to a defined measure. Nothing is given or provided arbitrarily.
We hebben hier een nauwkeurige uitspraak: “Er is niets dat niet bij Ons zijn voorraadkamers heeft; en Wij zenden het slechts neer volgens een vastgestelde maat.” (Vers 21) De betekenis ervan wordt duidelijk naarmate de kennis van de mens toeneemt en geavanceerder wordt. Hoe meer hij weet over het universum en hoe het is gemaakt en functioneert, hoe beter hij de Koranische uitspraak begrijpt. De betekenis van de term ‘voorraadkamers’ wordt duidelijker nadat de mens de aard van de elementen die de materiële wereld vormen en hun samenstelling heeft ontdekt. De mens weet dat de basis‘voorraadkamers’ van water bijvoorbeeld de zuurstof- en waterstofatomen zijn. De voorraadkamers van levensmiddelen die wij hebben in de vorm van groene planten en vegetatie, omvatten de stikstof die in de lucht aanwezig is, koolstof en de zuurstof die koolstofdioxide vormen, en de stralen van de zon. Voorbeelden zoals deze zijn talrijk en geven een duidelijk beeld van de betekenis van de uitdrukking “de voorraadkamers van God”, waarvan de mens veel heeft leren kennen, maar dit veel is slechts een klein deel van wat er is.
We have here a precise statement, “There is not a thing but with Us are its storehouses; and We send it down only in accordance with a defined measure.” (Verse 21) Its import becomes apparent as man’s knowledge increases and becomes more advanced. The more he knows about the universe and how it is made and operates, the better he understands the Qur’ānic statement. The meaning of the term, ‘storehouses’, becomes clearer after man has discovered the nature of the elements which form the material world, and their composition. Man knows that the basic ‘storehouses’ of water, for example, are the oxygen and hydrogen atoms. The storehouses of provisions we have in the form of green plants and vegetation include the nitrogen which is present in the air, carbon and the oxygen that form carbon dioxide, and the rays of the sun. Examples like these are numerous, giving a clear picture of the import of the expression, “God’s storehouses”, of which man has come to know much, but this much remains only a little of what there is.